C-154/05, Kersbergen Lap, arrest van 6 juli 2006

Contentverzamelaar

C-154/05, Kersbergen Lap, arrest van 6 juli 2006

Signaleringsfiche

Arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2006, in de zaak C-154/05, Kersbergen-Lap en Dams‑Schipper tegen Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Betrokken departementen

SZW, BZK, OCW en VWS

Sleutelwoorden

Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening 1408/71 – Artikel 4, lid 2 bis, alsmede bijlage II bis – Bijzondere prestaties die niet op premie- of bijdragebetaling berusten – Nederlandse uitkering voor jonggehandicapten (Wajong) – Niet-exporteerbaarheid

Beleidsrelevantie

Met dit arrest is vast komen te staan dat de Wajonguitkering een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie is in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van Verordening 1408/71. Hieruit volgt dat deze uitkering op grond van de coördinatieregels van Verordening 1408/71 niet hoeft te worden geëxporteerd. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich dat wijzigingen van verordeningen, bij gebreke van overgangsbepalingen, onmiddellijke werking hebben. Deze lijn werd al door het ministerie van SZW aangehouden.

Samenvatting van feiten, redenering en dictum

Kersbergen-Lap en Dams-Schipper zijn voor 80 tot 100% langdurig arbeidsongeschikt. In 1998 is hun AAW-uitkering in een Wajonguitkering omgezet. In 2002 zijn ze naar Frankrijk respectievelijk Duitsland verhuisd. Naar aanleiding van hun verhuizing heeft het UWV voor beiden de uitkering beëindigd, omdat geen reden bestond om van de hoofdregel (geen export) af te wijken. De prejudiciële vraag betreft de status van de Wajonguitkering in het licht van Verordening 1408/71.

Het Hof overweegt dat de Wajonguitkering een vervangende prestatie is, bedoeld voor diegenen die niet voldoen aan de verzekeringsvoorwaarde voor een prestatie bij invaliditeit in de zin van artikel 4, lid 1, sub b van Verordening 1408/71. Door een sociaal zwakke groep (de jonggehandicapten) een minimuminkomen te waarborgen heeft de Wajonguitkering het karakter van een door economische en sociale motieven gerechtvaardigde maatregel inzake sociale bijstand. Bovendien berust de toekenning ervan op door de wet omschreven objectieve criteria. Voorts is de uitkering nauw verbonden met de sociaal-economische context van Nederland, aangezien zij afhankelijk is van het minimumloon en de levensstandaard van Nederland, en geschiedt de financiering ervan uit overheidsmiddelen. De Wajonguitkering moet daarom worden aangemerkt als een bijzondere niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2, bis van Verordening 1408/71, die door de toepasselijkheid daarop van artikel 10 bis niet aan iemand buiten Nederland kan worden toegekend. Het Hof geeft voorts aan dat het rechtszekerheidsbeginsel verlangt dat elke feitelijke situatie, behoudens uitdrukkelijke bepaling van het tegendeel, wordt beoordeeld volgens de op het desbetreffende tijdstip geldende bepalingen. Hoewel de nieuwe wet dus enkel geldt voor de toekomst, is zij, tenzij anders is bepaald, ook van toepassing op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude wet zijn ontstaan. Bij gebreke van een overgangsbepaling moeten de rechtsgevolgen (al dan niet exporteerbaarheid) die deze feitelijke situatie met zich meebrengt (buiten Nederland gaan wonen), worden onderzocht volgens de regels die van toepassing waren op het moment waarop deze feitelijke situatie is ontstaan, en dus volgens de nieuwe bepalingen.

Eerste inventarisatie van de mogelijke effecten

Het arrest heeft geen gevolgen voor de Nederlandse wet- en regelgeving. Integendeel, het is een bevestiging ervan: uit het arrest van het Hof kan immers worden afgeleid dat de Wajong niet hoeft te worden geëxporteerd. Wel rijst in dit verband de vraag in hoeverre lidstaten op basis van het nationale recht meer mogen toestaan dan Verordening 1408/71 voorschrijft: mag een lidstaat export van de Wajong toestaan? De letterlijke tekst van het dictum van het arrest zou de indruk kunnen wekken dat dit niet mogelijk is (“niet […] kan worden toegekend”). Er wordt vooralsnog van uitgegaan dat de lidstaten de bevoegdheid hebben behouden om export van uitkeringen toe te staan daar waar Verordening 1408/71 aangeeft dat dit niet hoeft. Dit is met name van belang voor de toepassing van de hardheidsclausule in de Wajong, op grond waarvan het mogelijk is om in uitzonderingsgevallen toch een Wajong-uitkering in het buitenland te ontvangen.

Voorstel voor behandeling

De ICER zendt dit fiche en het arrest ter kennisname aan de ministers van SZW, BZK, VWS en OCW en verzoekt de Minister van SZW het fiche en het arrest onder de aandacht van de UWV te brengen. Een vervolgfiche is niet noodzakelijk.