C-175/13 Liivimaa Lihaveis

Contentverzamelaar

Terug C-175/13 Liivimaa Lihaveis

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   3 juni 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   20 juni 2013
Schriftelijke opmerkingen:                   20 juli 2013
Trefwoorden: regionale ontwikkeling (landbouw); bevoegdheid rechter; handvest grondrechten

Onderwerp:
- Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999
- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Zie voor het begin van deze zaak C-562/12 die begin dit jaar aan de lidstaten betekend is. Deze zaak betreft aanvullende vragen door een hogere EST rechter.
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit om vragen voor te leggen aan het HvJEU. Zij stelt dat, ook al is een programmadocument goedgekeurd door de CIE, het is geen Uniehandeling. EST heeft ten onrechte nagelaten voor de toepassing van het programmadocument (aanvullende) nationale rechtsregels vast te stellen. Het Comité van toezicht (CvT) moet op grond van het nationale recht worden ingesteld aangezien het geen EU-instelling is en niet op grond van beschikking C(2007) 6603 of het programmadocument is ingesteld.
De programmagids voor het Ests-Letse programma 2007-2013 is geen Uniehandeling, bevat enkel richtlijnen en kan dus niet bindend zijn. De gids is niet het reglement van orde van het CvT in de zin van artikel 63, lid 2, van verordening nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006. Verzoekster concludeert dan ook dat de nationale rechter bevoegd is om uitspraak te doen.
Verweerster verwerpt al deze stellingen.
Allereerst moet de vraag worden beantwoord of dit hoger beroep de schorsing wegens vragen aan het HvJEU kan breken. De beroepsrechter is van oordeel dat de zaak terecht is geschorst en dat die beslissing niet voor vernietiging in aanmerking komt, mede op grond van rechtspraak van het HvJEU (Cartesio). De rechter wil wel zijn standpunt, vooruitlopend op het oordeel van het Hof, inzake de bevoegdheid van de nationale rechter in deze zaak nader uiteenzetten. Volgens het nationale recht kan geen beroep op de nationale bestuursrechter worden gedaan in geval uitspraak wordt verlangd over een zaak waarin activiteiten van instanties van een buitenlandse staat of (organen van) een internationale organisatie een rol spelen. Hij oordeelt dat uit het feit dat in het CvT naast vele EST overheidsinstanties ook buitenlandse overheids-instanties deelnemen niet kan worden geconcludeerd dat het daardoor als een buitenlandse instantie kan worden beschouwd. Omdat het CvT in EST middels zijn besluiten jegens burgers openbaar gezag uitoefent moet de bestuursrechter daarover kunnen oordelen. Ook al is volgens het EST recht het CvT geen bestuursorgaan, een rechter heeft de mogelijkheid het nationale recht buiten toepassing te laten indien dit in strijd zou zijn met EU-recht.

De verwijzende EST rechter twijfelt of bij de behandeling van deze zaak voldoende rekening is gehouden met verzoeksters procesbelangen (artikel 41 handvest). Hij acht het dan ook gerechtvaardigd ter bespoediging van de afhandeling van verzoeksters zaak aanvullende vragen aan het HvJEU voor te leggen:
1. Moeten de lidstaten die aan het Ests-Letse programma 2007-2013 deelnemen, bij de instelling van het in artikel 63, lid 1, van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 en artikel 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 genoemde Comité van toezicht overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een overeenkomst sluiten over welk gerecht bevoegd is om uitspraak te doen op beroepen tegen besluiten van het Comité van toezicht, en op grond van welk recht op een desbetreffend beroep uitspraak moet worden gedaan?
2. Indien vraag 1. bevestigend moet worden beantwoord, maar een desbetreffende overeenkomst ontbreekt, is het dan in overeenstemming met artikel 63, lid 2, van verordening nr. 1083/2006 wanneer op een beroep tegen een besluit van het Comité van toezicht uitspraak wordt gedaan op grond van het nationale recht door een rechter van de lidstaat waarvan de verzoekende partij de nationaliteit bezit?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-336/00 Huber; C-210/06 Cartesio
Specifiek beleidsterrein: EZ
Mede VenJ en BZ

Gerelateerde documenten