C-178/97, Banks e.a. tegen Koninklijke Muntschouwburg, arrest van 30 maart 2000

Contentverzamelaar

C-178/97, Banks e.a. tegen Koninklijke Muntschouwburg, arrest van 30 maart 2000

Datum arrest, zaaknummer, partijen
HvJEG 30 maart 2000, zaak C-178/97, B. Banks e.a. tegen Koninklijke Muntschouwburg

Betrokken departementen
SZW, VWS, Financi├źn

Sleutelwoorden
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Vaststelling van toepasselijke wetgeving - Draagwijdte van E101-verklaring

Samenvatting van feiten, redenering en dictum
Banks e.a. zijn theaterartiesten met de Britse nationaliteit. Zij wonen in het Verenigd Koninkrijk, waar zij gewoonlijk hun beroepsactiviteit verrichten en als zelfstandigen aan de Britse socialezekerheidsregeling zijn onderworpen. Zij zijn door de Koninklijke Muntschouwburg te Brussel in dienst genomen om gedurende een bepaalde periode in het theater op te treden. De duur van het dienstverband varieerde van 25 dagen tot 4 maanden. De Belgische wet merkt artiesten zoals Banks aan als arbeiders die onder het stelsel van sociale zekerheid van de werknemers in loondienst vallen.

Volgens de hoofdregel van Verordening (EEG) nr. 1408/71 is een zelfstandige onderworpen aan de wetgeving van de lidstaat waar hij zijn werkzaamheden verricht (artikel 13, lid 2 sub b). Uitzondering wordt gemaakt voor detacheringssituaties. Onder bepaalde voorwaarden kan een gedetacheerde zelfstandige onderworpen blijven aan de wetgeving van het land waar hij gewoonlijk werkzaamheden anders dan in loondienst verricht, terwijl hij tijdelijk "arbeid" verricht in een andere lidstaat (artikel 14bis, punt 1, sub a). Het bevoegde socialezekerheidsorgaan in het land van herkomst geeft een formulier E101 af, waarop wordt verklaard dat gedurende de aangegeven periode de socialezekerheidswetgeving van het land van herkomst van toepassing blijft.

Voor Banks e.a. is door de Britse bevoegde instantie dit formulier afgegeven.

De Koninklijke Muntschouwburg is echter van mening dat geen sprake is van een detacheringssituatie waarop artikel 14bis, punt 1, sub a van toepassing is. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de Belgische wettelijke regeling van toepassing is, en wel op grond van artikel 14 quater, sub a, bepalende dat op degene die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst verricht op het grondgebied van verschillende lidstaten, de wetgeving van toepassing is van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij werkzaamheden in loondienst uitoefent. De Koninklijke Muntschouwburg heeft dienovereenkomstig sociale verzekeringspremies ingehouden op het loon van betrokkenen. Banks e.a. hebben hiertegen verzet aangetekend.

Het Hof oordeelt in de eerste plaats dat de term arbeid in artikel 14bis, punt 1 sub a betrekking heeft op elke arbeidsprestatie, al dan niet in loondienst. Dit volgt onder meer uit de bewoordingen van dit artikel, aldus het Hof. Het begrip arbeid heeft doorgaans namelijk een algemene betekenis, die niet specifiek ziet op arbeid in loondienst of arbeid anders dan in loondienst.

Het Hof overweegt verder dat het voor toepassing van artikel 14bis, punt 1, sub a noodzakelijk is dat de gedetacheerde zelfstandige in het land van herkomst gewoonlijk werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent. Hierbij wordt door het Hof aangegeven dat deze bepaling veronderstelt dat de zelfstandige doorgaans activiteiten van betekenis verricht in het land van herkomst. Het Hof noemt een aantal criteria aan de hand waarvan beoordeeld zou kunnen worden of de zelfstandige doorgaans activiteiten van betekenis verricht, te weten:

-betrokkene moet zijn werkzaamheid reeds gedurende een bepaalde tijd hebben uitgeoefend;

-gedurende de periode waarin betrokkene zijn arbeid op het grondgebied van een andere lidstaat verricht, moet hij in het land van herkomst de nodige middelen voor de uitoefening van zijn activiteit aanhouden teneinde die activiteit bij zijn terugkomst te kunnen voortzetten; dit kan bijvoorbeeld blijken uit: het gebruik van kantoren, de betaling van sociale zekerheidspremies en belastingen, het behoud van een beroepskaart en een BTW-nummer, de inschrijving bij de kamers van koophandel en de beroepsorganisaties.

Voorts merkt het Hof op dat de toepassing van artikel 14bis, punt 1 sub a bovendien veronderstelt dat de arbeid in het werkland een bepaalde taak betreft waarvan de inhoud en de duur vooraf zijn bepaald en waarvan de echtheid door middel van de overlegging van de desbetreffende contracten moet kunnen worden aangetoond.

Korte analyse
Dit arrest maakt duidelijk dat de detacheringsbepaling voor zelfstandigen ook kan worden toegepast wanneer de werkzaamheden in de ontvangende lidstaat in loondienst worden uitgeoefend. Wel is het voor toepassing van deze bepaling noodzakelijk dat in de lidstaat van herkomst voorafgaand aan de detachering gewoonlijk werkzaamheden als zelfstandige worden uitgeoefend. Ter invulling van deze verplichting wordt door het Hof aansluiting gezocht bij het arrest van 10 februari 2000, zaak C-202/97 (Fitzwilliam), waarin het ging om detachering van werknemers door een uitzendbureau: betrokkene dient doorgaans activiteiten van betekenis te verrichten in het land van herkomst. Het Hof komt hiermee tegemoet aan het door Nederland en Duitsland naar voren gebrachte bezwaar dat een ruime uitlegging van het begrip arbeid ertoe zou leiden dat een persoon zich kan aansluiten bij de socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen van een lidstaat waarin de premies gering zijn, en wel uitsluitend om zich naar een andere lidstaat te begeven om daar gedurende een jaar een werkzaamheid in loondienst te verrichten, zonder in laatstgenoemde staat de (doorgaans) hogere werknemerspremies te betalen. Teneinde te kunnen beoordelen of de zelfstandige doorgaans activiteiten van betekenis verricht, worden door het Hof nu een aantal criteria aangereikt.

Eerste inventarisatie van de mogelijke effecten voor beleid, wetgeving, rechtspraak of rechtspraktijk op nationaal of Europees niveau
In de praktijk toetsen Nederlandse uitvoeringsorganen of een vanuit een andere lidstaat gedetacheerde zelfstandige wat betreft zijn werkzaamheden in Nederland ingevolge de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving als een werknemer en niet als een zelfstandige moet worden beschouwd. Komen deze uitvoeringsorganen tot het oordeel dat betrokkene voor zijn werkzaamheden in Nederland als werknemer moet worden aangemerkt, dan wordt op hem de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving voor werknemers toegepast en worden over zijn inkomen de desbetreffende premies geheven. Uit dit arrest volgt dat deze praktijk niet langer houdbaar is.

Voorstel voor behandeling
De ICER zendt dit fiche met het arrest aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met het verzoek de ICER te informeren over de gevolgen die hij, in overleg met de ministers van VWS en Fin, aan dit arrest verbindt.