C-179/98, F. Mesbah, arrest van 11 november 1999

Contentverzamelaar

C-179/98, F. Mesbah, arrest van 11 november 1999

Datum arrest, zaaknummer, partijen
Hof van Justitie EG 11 november 1999, zaak C-179/98, F. Mesbah

Betrokken departementen
SZW, Justitie

Sleutelwoorden
Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko - Artikel 41, lid 1 - Beginsel van non-discriminatie op gebied van sociale zekerheid - Personele werkingssfeer

Samenvatting van feiten, redenering en dictum
Mesbah, die de Marokkaanse nationaliteit bezit, woont sinds 1985 in België waar zij deel uitmaakt van het gezin van haar schoonzoon en dochter. In 1995 vraagt zij een uitkering voor gehandicapten aan. Voor het recht op een Belgische gehandicaptenuitkering is vereist dat de betrokkene werkelijk in Belgiδ verblijft en Belg, onderdaan van een andere lidstaat van de Gemeenschap, staatloos of van onbepaalde nationaliteit of vluchteling is, dan wel tot de leeftijd van 21 jaar recht heeft gehad op verhoogde kinderbijslag ingevolge de Belgische wetgeving. Aangezien Mesbah niet voldoet aan de nationaliteitsvoorwaarde wordt haar aanvraag afgewezen. Vervolgens doet Mesbah een beroep op artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko (PB 1978, L 264, blz. 1). Volgens deze bepaling vallen de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de Lid-Staten waar zij werkzaam zijn.

Complicerende factor in deze zaak is het feit dat de schoonzoon en zijn vrouw voor 1995 zijn genaturaliseerd tot Belg, maar gelijkertijd hun Marokkaanse nationaliteit hebben behouden. Volgens de verwijzende rechter rijst dan ook de vraag of Mesbah nog te beschouwen is als lid van het gezin van een 'Marokkaanse werknemer' in de zin van artikel 41, eerste lid van de Samenwerkingsovereenkomst. Aangezien deze bepaling geen definitie geeft van het begrip 'gezinslid', vraagt de verwijzende rechter zich voorts af, tot welke graad van verwantschap dit begrip zich kan uitstrekken en of het van toepassing kan zijn op personen tussen wie slechts aanverwantschap bestaat.

Het Hof oordeelt dat een gezinslid van een migrerende werknemer die de Marokkaanse nationaliteit bezit, zich, wanneer deze werknemer de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen voor de datum waarop het gezinslid in die lidstaat bij hem is komen wonen en een socialezekerheidsuitkering op grond van de wetgeving van die staat heeft aangevraagd, niet op basis van artikel 41, eerste lid van de Samenwerkingsovereenkomst op de Marokkaanse nationaliteit van die werknemer kan beroepen teneinde toepassing van het in die bepaling neergelegde discriminatieverbod op het gebied van de sociale zekerheid te verlangen. Een dergelijk gezinslid kan zich, voor zover de Marokkaanse migrerende werknemer tevens de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst bezit, ten behoeve van de toepassing van artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst slechts op de Marokkaanse nationaliteit van die werknemer beroepen op basis van het recht van de betrokken lidstaat, waarvan de uitlegging en toepassing echter uitsluitend door de nationale rechter dient te geschieden in het kader van het aan hem voorgelegde geschil (punt 41).

Het Hof oordeelt verder dat reeds uit de bewoordingen van artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst blijkt dat het daarin neergelegde voorschrift van gelijke behandeling niet alleen geldt voor de echtgenoot en de kinderen van de migrerende werknemer. Artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst gebruikt immers de meer algemene uitdrukking ?gezinsleden? van de werknemer en deze kan dus ook andere verwanten van deze laatste, zoals zijn verwanten in opgaande lijn, omvatten, aldus het Hof. Deze bepaling bevat volgens het Hof ook geen beperking tot bloedverwanten van de werknemer. Hieruit volgt dat het begrip ?gezinsleden? in de zin van artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst niet enkel doelt op de echtgenoot en de kinderen van de werknemer, maar ook op personen die in nauwe verwantschap tot hem staan, zoals zijn verwanten in opgaande lijn, aanverwanten daaronder begrepen, onder de uitdrukkelijke voorwaarde evenwel dat deze personen inderdaad bij de werknemer wonen (punten 44-46).

Korte analyse
Het vraagstuk van de dubbele nationaliteit wordt in deze uitspraak op een andere manier benaderd dan in de zaak Micheletti (arrest van 7 juli 1992, Micheletti e.a., (C-369/90, Jur. blz. I-4239). In de zaak Micheletti verbood het Hof de lidstaten in het kader van de vrijheid van vestiging beperkingen toe te passen ten aanzien van onderdanen van derde staten die tevens de nationaliteit van een lidstaat hebben, wanneer die beperkingen niet gelden voor onderdanen van de lidstaten. In de zaak Mesbah erkent het Hof daarentegen de vrijheid van de lidstaten om in hun nationale recht beperkingen te stellen aan de mogelijkheid van gezinsleden van een werknemer zich te beroepen op diens nationaliteit van een derde staat wanneer hij tevens de nationaliteit van die lidstaat heeft.

Wat betreft het begrip 'gezinsleden' in artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst kan het volgende worden opgemerkt. In de regeling is het begrip niet nader gedefinieerd. In de rechtspraak van het Hof werden tot nu toe als zodanig aangemerkt de kinderen, de echtgenote en de weduwe. Het Hof oordeelt nu dat het begrip zich ook uitstrekt tot de verwanten en aanverwanten in opgaande lijn van de migrerende Marokkaanse werknemer en van zijn echtgenoot, die bij hem in de lidstaat van ontvangst wonen. Hier is een parallel aanwijsbaar met de familierechtelijke afbakening van de kring van gezinsleden van communautaire werknemers zoals dat begrip voorkomt in artikel 10, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap.

Het Hof heeft met deze uitleg niet de suggestie overgenomen om aansluiting te zoeken bij andere socialezekerheidsregelingen tussen de EG en derde staten, zoals Turkije. In deze regelingen is telkens aangeknoopt bij het begrip 'gezinslid' in Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. Artikel 1, onder f, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 definieert ?gezinslid? als: iedere persoon die in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend als gezinslid wordt aangemerkt of erkend of als huisgenoot wordt aangeduid.

In de overeenkomsten tussen de EEG en Tunesië (Trb. 1996, 29) en de EEG en Algerije (Trb. 1976, 164) komt een bepaling voor die gelijk is aan artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst met Marokko. Het arrest Mesbah is derhalve ook voor de toepassing van deze overeenkomsten van belang.

Eerste inventarisatie van de mogelijke effecten voor beleid, wetgeving, rechtspraak of rechtspraktijk op nationaal of Europees niveau
De Nederlandse socialezekerheidswetgeving bevat nagenoeg geen nationaliteitsvoorwaarden, en geen voorschriften inzake de toepassing van die nationaliteitsvoorwaarde op personen met een dubbele nationaliteit. De belangrijkste wet met een nationaliteitsvoorwaarde is de de Algemene Ouderdomswet (AOW). De AOW voorziet in een overgangsregeling waarbij kortingen op het ouderdomspensioen wegens onverzekerde jaren voorafgaande aan 1 januari 1957 (datum inwerkingtreding AOW) achterwege worden gelaten, mits de pensioengerechtigde de Nederlandse nationaliteit heeft en overigens voldoet aan bepaalde wooneisen (artikelen 55 en 56 AOW).

Eerder al zette het Hof van Justitie deze nationaliteitseis opzij ten aanzien van de echtgenote van een Marokkaanse werknemer (arrest van 3 oktober 1996, C-126/95, Hallouzi-Choho, Jur. 1996, blz. I-4807. Door de Sociale Verzekeringsbank worden evenwel aanverwanten in opgaande lijn van de Marokkaanse werknemer niet als gezinslid in de zin van de Samenwerkingsovereenkomst aangemerkt. Dit blijkt onder meer uit een zaak die momenteel aanhangig is bij het Hof van Justitie (zaak C-225/99, SVB tegen Moughit). Op grond van het arrest Mesbah is dit standpunt niet langer houdbaar. Hetzelfde geldt ten aanzien van de aanverwanten in opgaande lijn van een Algerijnse of Tunesische werknemer.

Voorstel voor behandeling
De ICER zendt dit fiche met het arrest aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, met het verzoek de ICER te informeren over de gevolgen die hij aan dit arrest verbindt.