C-189/01, Jippes e.a. tegen Minister LNV, arrest van 12 juli 2001

Contentverzamelaar

C-189/01, Jippes e.a. tegen Minister LNV, arrest van 12 juli 2001

Datum arrest
HvJ EG 12 juli 2001, C-189/01, Jippes e.a./Minister van LNV

Betrokken departementen
Alle departementen

Sleutelwoorden
Versnelde prejudiciële procedure - landbouw - bestrijding van mond en klauwzeer - vaccinatieverbod - evenredigheidsbeginsel - beginsel van dierenwelzijn

Beleidsrelevantie (samenvatting)
Wanneer als gevolg van een mogelijke prejudiciële verwijzing in een geding voor de nationale rechter grote problemen zouden ontstaan bij de uitvoering van gemeenschapsrecht, kan de rechter gemotiveerd verzoeken om versnelde behandeling door het Hof van Justitie. Het Hof blijkt in staat in urgente zaken met belangrijke gevolgen voor de toepassing van het gemeenschapsrecht door de lidstaten binnen vier maanden een arrest te kunnen wijzen.

Het Europese en daarop gebaseerde Nederlandse non-vaccinatiebeleid is rechtmatig. De gemeenschapswetgever dient in het kader van de evenredigheidstoets rekening te houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren. Deze verplichting geldt in ieder geval ten aanzien van het beleid op het terrein van landbouw, vervoer, interne markt en onderzoek. De verplichting kan indirect gevolgen hebben voor het Nederlandse beleid.

Samenvatting van feiten, redenering en dictum
Aanleiding voor deze zaak is het verzoek van mevrouw Jippes om haar hobby-dieren, vier schapen en twee geiten, preventief te mogen vaccineren tegen het MKZ-virus. Dit verzoek wordt afgewezen door de Minister van LNV, nu de Nederlandse en onderliggende Europese regelgeving niet in de mogelijkheid van (preventieve) vaccinatie voor dieren buiten besmette gebieden voorziet. Deze regelgeving gaat uit van een vaccinatieverbod, behoudens uitzonderingen, met name voor suppressievaccinatie (voorafgaand aan ruiming) bij een uitbraak van MKZ. Jippes betoogt dat een dergelijk vaccinatieverbod in strijd is met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van dierenwelzijn. Jippes vecht daarmee de geldigheid van artikel 13 van Richtlijn 85/511 EEG aan, zoals gewijzigd, alsmede de geldigheid van de daarop gebaseerde Commissiebeschikking met betrekking tot de Nederlandse uitbraak. Het CBB verwijst de zaak naar het Hof in een spoedprocedure. Het gemotiveerde verzoek daartoe wordt door het Hof ingewilligd.

Het Hof wijst de stelling dat sprake zou zijn van strijd met het gemeenschapsrecht af, gezien de ruime discretionaire beoordelingsmarge van de gemeenschapswetgever op het gebied van de landbouw en het feit dat aan het non-vaccinatiebeleid onder meer wetenschappelijke studies over de zoo-sanitaire aspecten daarvan ten grondslag liggen Met het belang van het welzijn van dieren is voldoende rekening gehouden. Daaraan doen de gevolgen van het beleid voor de dieren van een bepaalde particulier of bepaalde groep veehouders niet af. De Raad moest in dit geval namelijk rekening houden met de algemene staat van de gehele veestapel en niet met die van enkele individuele dieren.

Het Hof onderzoekt daarbij of sprake is van een algemeen rechtsbeginsel van dierenwelzijn, zoals Jippes betoogt. Daarbij concludeert het Hof dat dierenwelzijn geen belang is dat in de doelstellingen van artikel 2 EG en 33 EG (landbouwbeleid) wordt vermeld. Het Protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren bij het Verdrag van Amsterdam bevat geen algemeen rechtsbeginsel, omdat het beperkt is tot vier sectoren van gemeenschapsbeleid (landbouw, vervoer, interne markt, onderzoek)) en de gebruiken van de lidstaten met betrekking tot onder meer culturele tradities en godsdienstige riten dienen te worden geëerbiedigd. Ook uit de Overeenkomst over landbouwhuisdieren kan een algemeen beginsel niet worden afgeleid evenmin als uit andere bepalingen van (afgeleid) gemeenschapsrecht. Het Hof wijst deze stelling dus af. Vervolgens wijst het Hof op het belang dat de Gemeenschap hecht aan de gezondheid en de bescherming van dieren. Het Hof verwijst daarbij naar zijn rechtspraak (onder meer de zaak Compassion in World Farming, C-1/96, Jur. 1998, I-1251) en naar het Protocol inzake dierenwelzijn bij het Verdrag van Amsterdam. Bij het nastreven van de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid mag aan dat belang niet worden voorbijgegaan. Of aan de verplichting "ten volle" rekening te houden met het dierenwelzijn is voldaan, kan worden onderzocht in het kader van de evenredigheidstoetsing van een communautaire maatregel. Bij het uitvoeren van dat onderzoek stelt het Hof nogmaals expliciet dat "bij het onderzoek van de belasting die verschillende mogelijke maatregelen meebrengen, moet worden nagegaan of de gemeenschapswetgever ten volle rekening heeft gehouden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren".

Korte analyse
In deze zaak heeft het Hof voor het eerst een verzoek ingewilligd om arrest te wijzen volgens de nieuwe versnelde procedure ex artikel 104 bis van het Reglement voor de procesvoering. Het Hof is in staat gebleken binnen vier maanden het arrest te wijzen. Deze ontwikkeling is vooral van belang voor zaken waarvoor de normale duur van de prejudiciële procedure (gemiddeld anderhalf tot twee jaar) op nationaal niveau tot omvangrijke en verstrekkende uitvoeringsproblemen zou leiden. Benadrukt moet echter worden dat het Hof slechts in zeer uitzonderlijke gevallen een verzoek tot spoedbehandeling zal honoreren. In de onderhavige zaak kunnen het fundamentele belang van de rechtmatigheid van het Europese non-vaccinatiebeleid en de omstandigheid dat ten tijde van het verzoek nog in verschillende lidstaten omvangrijke uitbraken waren, als dergelijke uitzonderlijke factoren worden aangemerkt.

Met betrekking tot de zaak zelf kan het volgende worden opgemerkt. Het Hof heeft weinig moeite met het afwijzen van de stelling dat het Europese non-vaccinatiebeleid ongeldig zou zijn. Het Hof volgt daarmee de stellingen van de Nederlandse regering, daarin ondersteund door verschillende andere lidstaten alsmede Raad en Commissie.

Opvallend is verder dat het Hof het beroep op een algemeen rechtsbeginsel van dierenwelzijn afwijst, maar tegelijkertijd eist dat met het belang van dierenwelzijn bij het maken van gemeenschapsbeleid "ten volle" rekening wordt gehouden. Het Hof neemt deze verplichting mee bij het uitvoeren van de evenredigheidstoets. Het Hof wijst ter onderbouwing van de verplichting op rechtspraak betreffende het landbouwbeleid, en op het eerdergenoemde Protocol. Uit dit laatste kan worden afgeleid dat de verplichting met het belang van dierenwelzijn rekening te houden niet beperkt blijft tot het landbouwbeleid, maar mede geldt voor de andere in het Protocol genoemde beleidsterreinen van vervoer, interne markt en onderzoek. Op deze terreinen zal het gemeenschapsbeleid dan in voorkomend geval ten volle rekening moeten houden met het welzijn van dieren, zonder dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de discretionaire marge van de gemeenschapswetgever. De verplichting brengt niet mee dat onder alle omstandigheden het meest diervriendelijk alternatief moet worden gekozen. Wel dient het welzijn van dieren in de afweging en motivering van beleidskeuzen voldoende te zijn meegenomen. Gewezen moet daarbij worden op de grote discretionaire marge die de gemeenschapswetgever in de landbouwsector heeft, waardoor het Hof in deze zaak een meer marginale toets ten aanzien van het dierenwelzijn uitvoert. Op andere terreinen kan dat anders liggen. Denkbaar is dat het Hof daar een strengere, eventueel procedurele, toets zal uitvoeren. In hoeverre de verplichting ook geldt voor andere dan de vier genoemde terreinen, kan uit het arrest niet worden afgeleid.

In casu accepteerde het Hof gezien de aard van de maatregel (bestrijding van een besmettelijke veeziekte) dat de belangen van de veestapel als geheel waren gerespecteerd, ten koste van de belangen van bepaalde individuen. Het is onduidelijk in hoeverre het Hof in andere situaties zal eisen dat (meer) rekening wordt gehouden met individuele belangen. Eerste inventarisatie van de mogelijke effecten voor het beleid, wetgeving, rechtspraak of rechtspraktijk op nationaal of Europees niveau.

Wanneer bij de uitvoering van het gemeenschapsrecht door nationale uitvoeringsinstanties als gevolg van een mogelijke prejudiciële verwijzing in een hangend rechtsgeding voor een nationale rechter grote problemen zouden ontstaan, kan de uitvoeringsinstantie de nationale rechter in overweging geven een verzoek te doen om versnelde behandeling volgens artikel 104 bis van het Reglement voor de Procesvoering van het Hof van Justitie. Het verzoek van de verwijzende rechter moet met redenen omkleed zijn. De uitvoeringsinstanties zullen de noodzakelijke argumenten moeten aandragen.

De versnelde procedure is van toepassing is op elk rechtsgebied. Deze procedure zal vooral van belang kunnen zijn voor de afhandeling van zaken betreffende visa, asiel en immigratie. Uit het arrest zelf is allereerst van groot belang dat het Hof de rechtmatigheid van het Europese non-vaccinatiebeleid heeft bevestigd. De mogelijke gevolgen van het arrest op het punt van dierenwelzijn voor het Nederlandse beleid zijn meer indirect: via de gemeenschapswetgeving kan mogelijk meer aandacht komen voor dierenwelzijn. In het uiterste geval kan Europese wetgeving die onvoldoende rekening houdt met het belang van dieren worden vernietigd.

Voorstel voor behandeling
Het fiche wordt ter informatie toegestuurd aan alle departementen. Aan de Minister van Justitie wordt gevraagd het fiche onder de aandacht van de rechterlijke macht te brengen.