C-203/15 Tele2Sverige en C-698/15 Watson e.a.

Contentverzamelaar

C-203/15 Tele2Sverige en C-698/15 Watson e.a.

Arrest van het Hof van 21 december 2016 in gevoegde zaken C-203/15 Tele2Sverige en C-698/15 Watson e.a.

Sleutelwoorden

Elektronische communicatie – Verwerking van persoonsgegevens – Vertrouwelijk karakter van de elektronische communicatie –Richtlijn 2002/58/EG –Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Verplichting betreffende het algemeen en ongedifferentieerd bewaren van de verkeersgegevens en de locatiegegevens – Nationale autoriteiten – Toegang tot gegevens – Geen voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit – Verenigbaarheid met het Unierecht”

Betrokken departementen

BZK, VenJ, EZ

Beleidsrelevantie

In deze uitspraak heeft het Hof bepaald dat een algemene ongedifferentieerde en ongeclausuleerde bewaarplicht van verkeers- en locatiegegevens van abonnees en geregistreerde gebruikers voor alle elektronische communicatiemiddelen in strijd is met het Unierecht. De bepalingen van het Handvest verzetten zich niet tegen preventieve gerichte bewaring, op voorwaarde dat de categorieën van te bewaren gegevens, de betrokken communicatiemiddelen, de betrokken personen en de duur van de bewaring tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt. Daartoe moet de nationale maatregel aangeven in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden gegevens preventief kunnen worden bewaard. Bovendien moet de gegevensbewaring altijd voldoen aan objectieve criteria die een verband leggen tussen de te bewaren gegevens en het nagestreefde doel.

Samenvatting

Het Zweedse telecombedrijf Tele2 is naar aanleiding van de uitspraak in Digital Rights (C-39312 en C-594/12) gestaakt met het bewaren van de elektronische data zoals voorgeschreven bij wet maar . wordt alsnog gelast door de Zweedse telecomautoriteit de gegevens te bewaren. Tele2 stelt beroep in tegen het besluit. In het VK betwisten de heren Watson, Brice en Lewis de geldigheid van de Britse wet betreffende de bewaring van gegevens en onderzoeksbevoegdheden, waarin een vergelijkbare algemene bewaarplicht is opgenomen, omdat zij menen dat die in strijd is met het Handvest van de Gronderechten en het EVRM. In hoger beroep in de beide procedures vragen de Zweedse en Britse rechters het Hof om uitleg van de verenigbaarheid van een algemene ongedifferentieerde bewaarplicht ter bestrijding van criminaliteit van alle verkeers- en locatiegegevens van abonnees en geregistreerde gebruikers met het Unierecht, in het bijzonder in het licht van de Digital Rights-uitspraak.
Het Hof stelt ten eerste vast dat de betrokken regelingen binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen. Dit volgt uit de tekst en de algemene opzet en doelstelling van de richtlijn.
De richtlijn gaat uit van het beginsel van vertrouwelijkheid waarbij voor de verwerking van de persoonsgegevens eerst toestemming moet worden gegeven. De richtlijn staat uitzonderingen daarop toe maar die moeten strikt worden uitgelegd en laat niet toe dat die de regel worden. Het Hof onderkent dat de betrokken regelingen vragen oproepen met betrekking tot de door het Handvest gewaarborgde bescherming van het privéleven, het recht op bescherming van de persoonsgegevens, en de vrijheid van meningsuiting. Beperkingen op de uitoefening van die rechten moeten bij wet worden gesteld en mogen hun wezenlijke inhoud niet aantasten. Daarnaast zijn de beperkingen slechts geoorloofd indien deze noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De richtlijn zelf bepaalt daarnaast dat gegevens slechts gedurende een beperkte periode mogen worden bewaard.

De betrokken VK en ZWE regelingen voorzien echter in een verplichte algemene en ongedifferentieerde bewaring van alle verkeers- en locatiegegevens van alle abonnees en geregistreerde gebruikers voor alle elektronische communicatiemiddelen, door aanbieders van elektronische communicatiediensten, stelselmatig en voortdurend zonder enige uitzondering. Aan de hand van deze gegevens kan het profiel van de betrokken personen worden bepaald, wat het recht op bescherming van het privéleven aantast. Het voortdurende monitoren kan het gedrag van gebruikers van de diensten beïnvloeden en daarmee hun vrijheid van meningsuiting aantasten.

Een dergelijke ernstige ingreep in de grondrechten kan volgens het Hof uitsluitend worden gerechtvaardigd door de bestrijding van ernstige criminaliteit . Hoewel de bestrijding van zware criminaliteit, met name van georganiseerde misdaad en terrorisme, een doelstelling van algemeen belang is, acht het Hof de algemene en ongedifferentieerde bewaring van alle verkeersgegevens en alle locatiegegevens daarvoor niet noodzakelijk. Verder zijn de betrokken bewaarplichten de regel en niet de uitzondering zoals de richtlijn voorschrijft. Voorts treft de bewaarplicht ook personen waarover geen aanwijzing bestaat dat hun gedrag verband houdt met ernstige strafbare feiten en bevat de regel geen uitzonderingen, waardoor ook personen die onder het beroepsgeheim vallen, worden getroffen. Daardoor bevatten de regelingen in wezen geen vereiste van bedreiging van de openbare veiligheid. Zij beperken zich ook niet tot een bepaalde periode en/of een bepaald geografisch gebied en/of een kring van personen die betrokken kunnen zijn bij een ernstig strafbaar feit, of tot personen van wie de bewaring van de gegevens om andere redenen zou kunnen helpen bij de bestrijding van criminaliteit. De regel gaat dus verder dan strikt noodzakelijk en gaat verder dan gerechtvaardigd in een democratische samenleving zoals vereist door het Handvest. De bepalingen van het Handvest verzetten zich niet tegen preventieve gerichte bewaring, op voorwaarde dat de categorieën van te bewaren gegevens, de betrokken communicatiemiddelen, de betrokken personen en de duur van de bewaring tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt. Om aan deze vereisten te voldoen moet een nationale bewaarplicht duidelijke en nauwkeurige de draagwijdte en de toepassing van een dergelijke maatregel bevatten en een minimum aan eisen stellen, zodat voldoende garanties voor bescherming tegen het risico van misbruik worden gegeven. De maatregel moet aangeven in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden gegevens preventief kunnen worden bewaard waardoor de maatregel tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt. Deze kunnen verschillen naar de fase van zware-criminaliteitsbestrijding (voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen) maar de gegevensbewaring moet altijd voldoen aan objectieve criteria die een verband leggen tussen de te bewaren gegevens en het nagestreefde doel. Dergelijke voorwaarden moeten in de praktijk de omvang van de maatregel, en dus de kring van betrokken personen, daadwerkelijk afbakenen. De nationale regeling moet bovendien rusten op objectieve elementen waarmee een groep mensen kan worden onderscheiden wier gegevens, (indirect) een band met handelingen van zware criminaliteit aan het licht kunnen brengen, waarmee de zware criminaliteit kan worden bestreden of een ernstig risico voor de openbare veiligheid kan worden voorkomen. Een geografisch criterium ter afbakening is toegestaan als de autoriteiten objectieve aanwijzingen hebben dat er in een of meer geografische gebieden een hoog risico bestaat dat dergelijke handelingen worden voorbereid of gepleegd.

Eerste inventarisatie van de mogelijke effecten

Naar aanleiding van de Digital Rights-uitspraak heeft de regering op 17 november 2014 laten weten dat diverse wetten aanpassing behoeven. Daartoe wordt momenteel een wetvoorstel (Kamerstuk 34 537, nr. 2) behandeld in de Tweede Kamer. Wat de precieze consequenties zijn van het onderhavige arrest (Tele2 Sverige) voor dit wetsvoorstel en voor de overige Nederlandse wetgeving met betrekking tot dataretentie is nog onduidelijk. Het aanhangige wetsvoorstel gaat nu nog wel uit van een algemene bewaarplicht van telecommunicatiegegevens [1]. Dit is in lijn met de huidige Nederlandse wetgeving. In Tele2 Sverige stelt het Hof dat een algemene bewaarplicht in strijd in met het Europese recht.

Op 2 februari 2017 heeft de minister van VenJ de kamer geïnformeerd over het onderhavige arrest en toegezegd te onderzoeken wat de consequenties hier van zijn (Kamerstuk 34 537, nr. 7). Momenteel wordt er over deze uitspraak overleg gevoerd met het Openbaar Ministerie en de opsporingsinstanties. Daarnaast wordt er met andere lidstaten van de Europese Unie overlegd over de wijze waarop opvolging kan worden gegeven aan dit arrest. Vast staat dat de uitspraak weerslag kan hebben op de opsporing en vervolging van ernstige strafbare feiten. De minister van VenJ heeft aangegeven de Kamer te informeren indien er meer inzicht is in de precieze consequenties van het arrest.


Voorstel voor behandeling

De ICER-H heeft het fiche vastgesteld en zendt dit fiche met het arrest ter kennisgeving aan de leden van het IOWJZ. Indien nodig kan het fiche ter kennisneming aan hun ministers worden doorgeleid. De minister van VenJ zal de Kamer in een vervolgbrief nader informeren over de precieze gevolgen van het arrest. Een vervolgfiche is niet noodzakelijk.

 

 

[1] Het wetvoorstel Aanpassing bewaarplicht telecommunicatiegegevens is door het huidige demissionaire kabinet controversieel verklaard.