C-228/06, Soysal, arrest van 19 februari 2009

Contentverzamelaar

C-228/06, Soysal, arrest van 19 februari 2009

Signaleringsfiche

Arrest van Hof van Justitie van 19 februari 2009 in zaak C-228/06, Soysal tegen Bondsrepubliek Duitsland

Betrokken Departementen

BZ en JUS

Sleutelwoorden

Associatieovereenkomst EEG -Turkije – Vrij verrichten van diensten – Visumplicht voor toegang tot lidstaat

Beleidsrelevantie

Invoering van een visumplicht voor Turkse dienstverrichters na 1 januari 1973 is in strijd met het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EG-Turkije indien een dergelijke visumplicht op die datum voor Turkse dienstverrichters niet gold. Het Aanvullend Protocol staat door middel van een standstillclausule geen nieuwe beperkingen van de vrije dienstverrichting toe. Een visumplicht voor vrachtwagenchauffeurs die, zoals in Duitsland, is ingevoerd na de inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol vormt een ‘nieuwe beperking’ in de zin van dat Aanvullend Protocol. BZ onderzoekt nu of in de betrekkingen tussen Nederland en Turkije een visumplicht voor dienstverrichters op en na 1 januari 1973 is blijven bestaan. Ook de Europese Commissie onderzoekt thans de gevolgen van het arrest, onder meer voor visumverordening 539/2001. De visumplicht voor Turkse dienstverrichters blijft daarom vooralsnog gehandhaafd.

Samenvatting van feiten, redenering en dictum

Soysal en Savatli (de verzoekers) zijn in Turkije wonende Turkse onderdanen, die als vrachtwagenchauffeur voor een Turks internationaal transportbedrijf werken. De vrachtwagens zijn geregistreerd in Duitsland en behoren toe aan een Duitse vennootschap. Tot 2000 hebben de verzoekers meermaals visa verkregen om als chauffeurs van in Turkije geregistreerde vrachtwagens in Duitsland diensten te verrichten. De visa werden in 2001 en 2002 geweigerd omdat was vastgesteld dat hun vrachtwagens in Duitsland waren geregistreerd.

In het onderhavige arrest gaat het om de toepassing van het op 1 januari 1973 in werking getreden Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de EG en Turkije. In artikel 41 van het Aanvullend Protocol is onder andere opgenomen dat de partijen bij de overeenkomst geen nieuwe beperkingen mogen invoeren met betrekking tot de vrijheid van diensten, de zogenaamde standstillclausule. Ten tijde van de inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol kende Duitsland geen visumplicht voor vrachtwagenchauffeurs. De visumplicht is op 1 juli 1980 ingevoerd en thans opgenomen in een Duitse regeling op basis van verordening (EG) nr. 539/2001 over de vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum.

Het Hof oordeelt dat het Aanvullend Protocol zich verzet tegen een dergelijke visumplicht. Het Hof geeft aan dat de standstillclausule rechtstreekse werking heeft en Turkse dienstverrichters er aanspraak op kunnen maken. Hetzelfde geldt voor de werknemers van de dienstverrichter die onmisbaar zijn voor het verrichten van de diensten. Het Hof wijst op zijn vaste rechtspraak dat de standstillclausule de Turkse onderdaan geen rechtstreeks uit de gemeenschapsregeling afgeleid recht op het vrij verrichten van diensten geeft. Maar de clausule verbiedt wel de invoering van alle nieuwe maatregelen die tot doel of tot gevolg zouden hebben dat de uitoefening door een Turkse onderdaan van deze economische vrijheden op het nationale grondgebied wordt onderworpen aan strengere voorwaarden dan die welke golden bij de inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol voor de betrokken lidstaat. De visumplicht in Duitsland geldt voor Turkse onderdanen maar niet voor Gemeenschapsonderdanen en de daadwerkelijke uitoefening van het recht op vrij verkeer van diensten wordt gehinderd door met name de administratieve en financiële lasten die gepaard gaan met de verkrijging van een dergelijke vergunning. De Duitse regeling, die niet bestond ten tijde van de inwerkingtreding, onderwerpt op deze wijze de economische vrijheden van Turkse onderdanen aan strengere voorwaarden dan die welke in de betrokken lidstaat golden bij de inwerkingtreding. Daardoor is de visumplicht een ‘nieuwe beperking’ in de zin van de standstillclausule van het Aanvullend Protocol. Het feit dat het gaat om een regeling die een bepaling van de EG-visumverordening uitvoert heeft geen invloed op deze conclusie, omdat de door de Gemeenschap gesloten volkenrechtelijke overeenkomsten van hogere rang zijn dan afgeleid gemeenschapsrecht en dat die bepalingen dan ook zo veel mogelijk in overeenstemming met die overeenkomsten moeten worden uitgelegd.

Eerste inventarisatie van mogelijke effecten

Het is niet duidelijk of Nederland in 1973 een visumplicht kende voor Turkse dienstverrichters, waaronder vrachtwagenchauffeurs. BZ zoekt dit thans uit, hetgeen ook is toegezegd aan de Tweede Kamer. Van belang is om te weten of in Nederland een visumplicht bestond voor de inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol. Is dat het geval, dan mag die voorwaarde nog steeds gesteld worden. Is die voorwaarde na de inwerkingtreding ingevoerd dan zou de visumplicht een nieuwe beperking vormen die wordt verboden in het Aanvullend Protocol. In dat geval zal Nederland de visuminstructies voor de Nederlandse posten in Turkije moeten aanpassen. De visumplicht kan dan niet langer worden opgelegd aan Turkse onderdanen die Nederland willen binnenkomen teneinde hier voor rekening van een in Turkije gevestigde onderneming diensten te verrichten. Het is nog niet uitgekristalliseerd in de rechtspraak van het Hof van Justitie of het arrest ook ziet op dienstenontvangers, zoals toeristen.

Ook de Europese Commissie onderzoekt thans de gevolgen van het arrest, onder meer voor visumverordening 539/2001.

De visumplicht voor Turkse dienstverrichters blijft daarom vooralsnog gehandhaafd.

Voorstel van behandeling

De ICER zendt het arrest en het bijbehorende fiche ter kennisneming aan de ministers van Buitenlandse Zaken en van Justitie en aan de staatssecretaris voor Europese Zaken. De minister van Buitenlandse Zaken informeert de ICER over de bevindingen ten aanzien van de visumplicht. Een vervolgfiche is niet noodzakelijk.