C-336/14 Ince tegen Duitsland

Contentverzamelaar

C-336/14 Ince tegen Duitsland

Signaleringsfiche
Arrest van het Hof van 4 februari 2016 in zaak C-336/14 Ince tegen Duitsland

Betrokken departementen
EZ en VenJ

Sleutelwoorden
Prejudiciële verwijzing – Vrij verrichten van diensten – Artikel 56 VWEU – Kansspelen – Publiek monopolie inzake sportweddenschappen – Uitsluiting van particuliere exploitanten – Inzamelen van weddenschappen voor een in een andere lidstaat gevestigde exploitant – Nationale bepaling in strijd met Unierecht – Overgang naar concessiestelsel – Transparantie en onpartijdigheid – Richtlijn 98/34/EG – Artikel 8 – Technische voorschriften – Kennisgevingsplicht

Beleidsrelevantie
Deze uitspraak is relevant voor regelgeving die technische voorschriften bevat die inhoudelijk identiek zijn aan reeds genotificeerde maar uitgewerkte regelgeving. Indien de betreffende voorschriften verschillen in temporele of territoriale werkingssfeer van de reeds genotificeerde voorschriften dienen deze ook te worden genotificeerd. Dit vanwege zowel de preventieve werking van de notificatieprocedure als de het belang dat de marktdeelnemers op de hoogte worden gesteld van de vast te stellen voorschriften.  Daarnaast is deze uitspraak van toepassing op vergunningsstelsels die zijn ontwikkeld om publieke monopolies op te heffen. Dit stelsel moet geschikt zijn om het beoogde doel te bereiken.

Samenvatting van feiten, redenering en dictum    
In Duitsland wordt Ince vervolgd voor het plaatsen van een wedterminal in een bar. De tenlastelegging stelt dat zij zonder vergunning als tussenpersoon sportweddenschappen heeft verzameld voor een onderneming gevestigd in Oostenrijk, die daar een vergunning bezit voor de organisatie van sportweddenschappen. De Duitse (federale) wet waarop de sanctie berust, had een vervaldatum in 2011, maar gaf de deelstaten de mogelijkheid om deze wet te verlengen. De deelstaten hebben niet gekozen voor verlenging, maar hebben de bepalingen overgenomen in hun eigen regelgeving. Duitsland heeft een staatsmonopolie op sportweddenschappen, maar sinds 2012 is er een experimentregeling die het mogelijk maakt om aan maximaal 20 particulieren concessies te verlenen. Er zijn twijfels gerezen over de transparantie en de onpartijdigheid van de vergunningprocedure. Er zijn nog geen vergunningen verleend.
De verwijzende rechter verzoekt duidelijkheid over de strafbaarheid van de activiteiten van Ince en legt drie prejudiciële vragen voor aan de rechter.
De eerste vraag is of het opleggen van een sanctie aan iemand die zonder Duitse vergunning als tussenpersoon fungeert voor een exploitant die beschikt over een vergunning in een andere lidstaat, verenigbaar is met het vrij verkeer van diensten op grond van art. 56 VWEU, indien de Duitse vergunningsplicht gepaard gaat met een verbod op het verlenen van deze vergunningen aan particuliere exploitanten en de nationale rechter heeft vastgesteld dat het Duitse staatsmonopolie in strijd is met het Unierecht.
Ten tweede vraagt de rechter of het opleggen van een sanctie rechtmatig is als deze berust op een wet die een technisch voorschrift uit een andere, vervallen wet tot inhoud heeft en niet opnieuw is genotificeerd bij de Europese Commissie.
De derde vraag heeft betrekking op de verenigbaarheid van art. 56 VWEU met het opleggen van een sanctie voor het handelen als tussenpersoon zonder Duitse vergunning voor een exploitant in een andere lidstaat, indien er geen effectieve procedure voor verkrijging van een vergunning bestaat.
Voor wat betreft de eerste en de derde vraag bepaalt het Hof dat art. 56 VWEU zich inderdaad verzet tegen een strafrechtelijke sanctie voor het uitoefenen van de activiteit van tussenpersoon zonder vergunning indien er een publiek monopolie geldt dat als strijdig met het Unierecht is verklaard. Dit geldt evengoed als er in theorie een procedure is voor het verkrijgen van een vergunning, maar deze procedure niet algemeen bekend is, niet transparant functioneert en het publiek monopolie in de praktijk nog steeds in stand is.

Voor wat betreft de tweede vraag bepaalt het Hof dat volgt uit art. 8, lid 1, richtlijn 98/34/EG dat indien technische voorschriften niet zijn genotificeerd volgens de bepalingen van die richtlijn, een particulier in een strafprocedure niet kan worden tegengeworpen dat deze regels niet zijn nageleefd. Daarbij strekt de niet-toepasselijkheid zich enkel uit tot de betreffende technische voorschriften en niet alle bepalingen van die wet. Het feit dat inhoudelijke identieke voorschriften eerder aan de Commissie zijn meegedeeld doet daar niet aan af nu de voorschriften verschillen in temporele en territoriale werkingssfeer. Hierbij is van belang dat het Hof oordeelt dat artikel 8, eerste lid, derde alinea, alleen geldt voor het hypothetische geval tijdens de wetgevingsprocedure nog significante wijzigingen worden aangebracht in een al ter notificatie voorgelegd technisch voorschrift. De richtlijn heeft namelijk niet alleen tot doel om een preventieve controle op technische voorschriften te waarborgen, maar ook om marktdeelnemers de mogelijkheid te bieden kennis te nemen van de voorgenomen voorschriften en hun beoordeling van de effecten van deze voorschriften kenbaar te maken. Marktdeelnemers worden hierdoor in staat gesteld de omvang van de verplichtingen die ze mogelijk worden opgelegd te kennen en eventueel op deze verplichtingen te anticiperen.
Dat in deze oude wet een mogelijkheid tot verlenging stond waar overigens geen gebruik is gemaakt doet niet af aan deze plicht.

Eerste inventarisatie van de mogelijke effecten
Indien een reeds genotificeerde regeling wordt opgenomen in een ander wettenbestel of een reeds beoordeeld ontwerp opnieuw wordt gebruikt doet dit niet af aan de verplichting om deze voorschriften wederom te notificeren als de temporele of territoriale werkingssfeer verandert. Bij het overnemen of hergebruiken van regelingen door andere organen of voor een ander tijdvak zal dus opnieuw een notificatieprocedure moeten worden ingezet. Vanwege het grote belang dat het Hof hecht aan het kenbaar maken van de regelgeving, is het waarschijnlijk dat ook versoepelingen in de regelgeving genotificeerd moeten worden.
Het enkele bestaan van een procedure tot het verkrijgen van een vergunning is onvoldoende voor het voldoen aan de eisen van art. 56 VWEU, indien deze procedure in de praktijk niet leidt tot het verlenen van vergunningen. Een procedure die is bedoeld een publiek monopolie op te heffen dient ook feitelijk geschikt te zijn voor dit doel.

Voorstel voor behandeling
Het fiche is binnen de ICER-N afgestemd voor wat betreft de aspecten die betrekking hebben op Richtlijn 98/34/EG en wordt ter vaststelling gezonden aan de ICER-H.
Omdat het hier aanvullingen betreft op de huidige manier van notificeren, wordt voorgesteld om de handleiding voor technische notificaties met deze uitspraak in overeenstemming te brengen, eventueel in combinatie met de reeds nog niet afgesloten hofzaak Municípo de Palmela (C-144/16) die ook het hergebruiken van wetgeving betreft.  

De ICER-H zendt het arrest en het fiche ter kennisgeving aan de leden van het IOWJZ. Indien nodig kan het fiche ter kennisname aan hun Ministers worden doorgeleid. Een vervolgfiche is niet noodzakelijk.


Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie