C-337/25 Futura
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 21 juli 2025 Schriftelijke opmerkingen: 7 september 2025
Trefwoorden: havendienst, vrijheid van vestiging, vrij verkeer van diensten, mededinging
Onderwerp: Verordening (EU) 2017/35 (betreffende het verrichten van havendiensten): overwegingen 7, 10, 11, 18 t/m 24, 26, 28 t/m 30 en artikelen 1 t/m 6, 8 en 10; VWEU: artikelen 49, 56, en 106.
‘Futura’, een havenonderneming in Italië, klaagt tegen het monopolie dat een coöperatieve vennootschap heeft gekregen voor het vervoer van materieel tussen wal en schip. Deze dienst is exclusief toegewezen aan de vennootschap, zonder openbare aanbesteding en zonder tijdslimiet. Het is de vraag of verordening 2017/352 over havendiensten van toepassing is op dit type vervoer (tussen wal en schip). Daarbij vraagt de Italiaanse rechter of het exclusieve recht dat zonder openbare selectieprocedure is toegekend in strijd is met het vrij verkeer van diensten, vrij verkeer van vestiging en de mededingingsregels.
Prejudiciële vragen: I) Moet verordening (EU) 2017/352 betreffende het verrichten van havendiensten aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing is op de technisch-nautische dienst van vervoer tussen wal en schip, en zo ja, verzetten de bepalingen van die verordening zich tegen de toepassing van de Italiaanse regeling die de verrichting van die dienst in een bepaalde haven, zonder voorafgaande openbare selectieprocedure en zonder vaststelling van een termijn, voorbehoudt aan een vennootschap die expliciet is aangewezen door de bevoegde autoriteit en aan haar toezicht is onderworpen, waarvan de vennoten (zij het niet uitsluitend) personen zijn die, na met succes een openbare aanbestedingsprocedure voor walpersoneel/schippers van havendienstvaartuigen te hebben doorlopen, zijn ingeschreven in de bij de nationale regeling vastgestelde specifieke registers?
II) Staan in elk geval de beginselen van vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten die zijn neergelegd in de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en, meer in het algemeen, de beginselen ter bescherming van de mededinging en de vrije markt, gelezen in samenhang met artikel 106, lid 2, VWEU, in de weg aan een uitlegging of toepassing van nationale wetsbepalingen, of daarop berustende praktijken, op grond waarvan de bevoegde autoriteit de discretionaire bevoegdheid wordt toegekend om, zonder een termijn aan te geven, een vennootschap aan te wijzen als exploitant die in een bepaalde haven op exclusieve basis de dienst van vervoer tussen wal en schip verricht?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-266/96 Corsica Ferries France.
Specifiek beleidsterrein: IenW; EZ