C-351/25 Trive Bank Hungary et Erinum Capital 

Contentverzamelaar

C-351/25 Trive Bank Hungary et Erinum Capital 

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     24 juni 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     10 augustus 2026

Trefwoorden: leningsovereenkomsten, hypothecaire overeenkomsten ter waarborging van leningsovereenkomsten, beginselen van doeltreffendheid, effectieve rechterlijke bescherming, consumentenbescherming 

Onderwerp: Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU): Artikel 19, lid 1; Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU): artikel 113, lid 1, artikel 169, lid 1; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest): artikelen 38 en 47; Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten: Artikel 6, lid 1, artikel 7, lid 1 .  

SQ en JL hebben leningsovereenkomsten en hypothecaire overeenkomsten ter waarborging van de leningsovereenkomsten gesloten met Trive Bank. Omdat de leningen in vreemde valuta zijn gesloten kunnen de hoogte van de termijnbedragen bij terugbetaling door de wisselkoers maandelijks variëren. Trive Bank heeft de overeenkomsten met SQ en JL opgezegd omdat zij niet aan hun maandelijkse betaalverplichting hadden voldaan. Vervolgens heeft Trive Bank de overeenkomsten overgedragen aan Erinum Capital voor de tenuitvoerlegging van de hypothecaire overeenkomsten. SQ en JL zijn het hier niet mee eens en hebben bij de rechter in eerste aanleg verzocht om de leningsovereenkomst ongeldig te verklaren en Trive Bank te veroordelen tot terugbetaling van het volgens hen te veel betaalde bedrag. Volgens de rechter in eerste aanleg is het recht van SQ en JL om een ongeldigheidsvordering in te stellen tegen de leningsovereenkomsten op grond van nationaal recht verjaard. SQ en JL hebben tegen deze verjaringsuitspraak hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de nationale regels over verjaring verenigbaar zijn met het Unierecht. 

Prejudiciële vragen: 
In het kader van prejudiciële zaak C-351/25 handhaaft de verwijzende rechter zijn eerste, tweede en derde vraag, maar niet zijn vierde vraag.

1. Is het in overeenstemming met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 114, lid 3, VWEU en artikel 169 VWEU, de artikelen 38 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), de beginselen van doeltreffendheid en effectieve rechterlijke bescherming, en artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, dat het nationale recht aldus wordt toegepast dat 
– de consument de vordering tot vaststelling van de ongeldigheid van de overeenkomst en tot het verbinden van rechtsgevolgen aan de ongeldigheid wegens een door hem als oneerlijk beschouwd beding binnen een verjaringstermijn van vijf jaar na de opzegging door de schuldeiser kan indienen, ook indien hij zich, naast de ongeldigheid van de overeenkomst, tevens beroept op de onrechtmatigheid van de opzegging, die volgens hem verband houdt met het oneerlijke beding in de overeenkomst, en 
– in een dergelijk geval de toetsing van de verjaring altijd vooraf moet gaan aan de toetsing van de ongeldigheid van de overeenkomst wegens het oneerlijke karakter van een beding en de daarmee samenhangende onrechtmatigheid van de opzegging, ook al is het beginpunt van de verjaring de door de consument gestelde onrechtmatige opzegging van de overeenkomst? 

2.  Is het in overeenstemming met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 114, lid 3, VWEU en artikel 169 VWEU, de artikelen 38 en 47 van het Handvest, de beginselen van doeltreffendheid en effectieve rechterlijke bescherming, en artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, dat het nationale recht aldus wordt toegepast dat de vordering van de schuldeiser in het kader van een procedure van gedwongen tenuitvoerlegging voor wat betreft de verjaring wordt losgekoppeld van het beroep van de consument op het oneerlijke karakter van het beding, aangezien de aanvangsdatum van de vordering van de consument naar nationaal recht de datum van de opzegging door de schuldeiser is, en het recht van de consument om te vorderen dat aan de ongeldigheid rechtsgevolgen worden verbonden en de ongeldigheid wordt vastgesteld vijf jaar na die datum vervalt, ook als de schuldeiser zijn vordering jegens hem geldend maakt in een op een notariële akte gebaseerde procedure van gedwongen tenuitvoerlegging waarin het oneerlijke karakter van het beding niet is onderzocht? 

3. Is het in overeenstemming met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 114, lid 3, VWEU en artikel 169 VWEU, de artikelen 38 en 47 van het Handvest, de beginselen van doeltreffendheid en effectieve rechterlijke bescherming, en artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, dat het nationale recht aldus wordt uitgelegd dat de vordering van de consument tot vaststelling van de volledige ongeldigheid van de overeenkomst, tot het verbinden van rechtsgevolgen aan de ongeldigheid en tot terugbetaling wegens het oneerlijke karakter van een beding niet als cumulatie van vorderingen, en derhalve, voor wat betreft de verjaring, niet als zelfstandige vordering worden beschouwd, wanneer dit alles tot gevolg heeft dat de zelfstandige beoordeling van het oneerlijke karakter van het beding en de vaststelling van de ongeldigheid na het verjaren van de vordering tot terugbetaling evenmin mogelijk is, zodat er geen vordering tot beëindiging van de tenuitvoerlegging kan worden ingesteld? 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-776/19-C-779/19 BNP Paribas Personal Finance; C-32/14 Erste Bank Hungary; C-224/19 en C-259/19 Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria; C-600/19 Ibercaja Banco; C-869/19 Unicaja Banco; C-693/19 en C-831/19 SPV Project 1503 e.a. 

Specifiek beleidsterrein: JenV