C-380/25 Bellavista Societa Agricola

Contentverzamelaar

C-380/25 Bellavista Societa Agricola

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 september 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     21 oktober 2025

Trefwoorden: arbeidsovereenkomst bepaalde en onbepaalde tijd, cao, werknemerbescherming 

Onderwerp: Richtlijn 1999/70/EG betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd: Overwegingen 6, 8, 10 en 14, en de preambule, de algemene overwegingen, clausule 1, clausule 2, punten 1 en 2, en clausules 3 en 5 van de bijlage. 

Verzoekers, twee landbouwarbeiders, hebben gedurende meerdere seizoenen gewerkt bij Bellavista Società op basis van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Zij vorderen omzetting van hun arbeidsverhouding in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. De toepasselijke Italiaanse regeling sluit landbouwarbeiders  uit van de algemene regels ter uitvoering van richtlijn 1999/70/EG en verwijst in plaats daarvan naar de cao, die slechts omzetting naar onbepaalde tijd toestaat na 180 gewerkte dagen in 12 maanden, mits dit tijdig wordt ingeroepen. De Italiaanse rechter twijfelt of deze uitzondering en cao-regeling verenigbaar zijn met clausule 5, punt 1 van de raamovereenkomst van Richtlijn 1999/70/EG. 

Prejudiciële vragen: 
- Moet clausule 5 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die als bijlage is gevoegd bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, aldus worden uitgelegd dat deze zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde regels van gemeen recht inzake arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd niet van toepassing zijn op arbeidsverhoudingen tussen werkgevers in de landbouw en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd? 
- Moet clausule 5 aldus worden uitgelegd dat binnen het kader van gelijkwaardige wettelijke maatregelen ter voorkoming van misbruik, waarin rekening wordt gehouden met de behoeften van de landbouwsector, een maatregel kan vallen die is opgenomen in de door de sociale partners gesloten collectieve arbeidsovereenkomst waarin het recht is vastgelegd dat een overeenkomst voor bepaalde tijd in een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd wordt omgezet wanneer een landbouwarbeider gedurende 180 dagen daadwerkelijk arbeid verricht bij hetzelfde bedrijf, te berekenen binnen een termijn van 12 maanden vanaf de datum van zijn aanwerving, welk recht moet worden uitgeoefend binnen een vervaltermijn van zes maanden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-389/22 (Rode Kruis); C-212/04; C-22/13, C-61/13 tot en met C-63/13 en C-418/13; C-494/16 ; C-238/14 (Commissie/Luxemburg); C-16/15 (Pérez López); C-331/17 (Sciotto); C-282/19 (MIUR en Ufficio Scolastico Regionale per la Campania); C-550/19 (Obras y Servicios Públicos en Acciona Agua); C-726/19 (Instituto Madrileño de Investigación y Desarrollo Rural, Agrario y Alimentari); C-59/22, C-110/22 en C-159/22 (Consejería de Presidencia, Justicia e Interior de la Comunidad de Madrid e.a.); C-212/24, C-226/24 en C-227/24 (L.T.). 

Specifiek beleidsterrein: SZW