C-4/25 Duna-Drava Cement
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 13 april 2026 Schriftelijke opmerkingen: 30 mei 2026
Trefwoorden: belasting, technisch voorschrift, vrijheid van vestiging, vrijheid van ondernemerschap, recht op eigendom
Onderwerp: VEU: art. 4, lid 3; VWEU: art. 49, 54 en 114; Handvest: art. 16 en 17; Richtlijn 2015/1535 : art. 1 en 5 t/m 7.
Verzoeker is ‘Duna-Dráva Cement’, een onderneming die mijnbouwrechten bezit. Zij is opgekomen tegen een regeringsdecreet dat ‘bijkomende winningsvergoedingen’ oplegt aan bepaalde ondernemingen in de mijnbouwsector. Zij stelt dat het regeringsdecreet in strijd is met het Unierecht, met name de vrijheid van vestiging, het vrij verkeer van kapitaal en de vrijheid van ondernemerschap. De Hongaarse rechter twijfelt of de bijkomende winningsvergoeding als belasting kan worden gekwalificeerd, ofwel als ‘technisch voorschrift’ in de zin van richtlijn 2015/1535, waarvoor een voorafgaande kennisgeving vereist is. Daarnaast stelt de rechter vragen over de bevoegdheid van de nationale rechter om de naleving van die kennisgevingsplicht te toetsen, en over de verenigbaarheid van de maatregel met de genoemde rechten.
Prejudiciële vragen: 1) Is een door een lidstaat vastgestelde bijkomende winningsvergoeding een belasting in de zin van artikel 114, lid 2, VWEU, en vormt zij derhalve een uitzondering in de zin van dit artikel zodat zij niet onderworpen is aan de verplichting tot voorafgaande kennisgeving die krachtens artikel 114, lid 1, VWEU en artikel 5 van richtlijn 2015/1535 op de lidstaat rust, wanneer deze winningsvergoeding: – verschuldigd is door ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit de winning van sier- en bouwsteen, kalksteen, gips, krijt en kalksteen, de winning van grind en zand en de winning van klei en kaolien, de vervaardiging van cement en de vervaardiging van kalk en gips, en waarvan de netto-omzet in 2019 – met uitzondering van verbonden ondernemingen in de zin van de wet op de vennootschapsen dividendbelasting – 3 000 000 000 HUF of meer bedroeg; – in het geval van de verkoop van gekalibreerd zand, grind of grindzand, natuurlijk grindzand of cement tegen een prijs die – exclusief belasting over de toegevoegde waarde – hoger is dan de wettelijk vastgestelde verkoopprijs, deze ondernemingen verplicht om als bijkomende winningsvergoeding 90 % te betalen van het verschil tussen hun werkelijke omzet en de omzet die wordt bepaald op basis van de verkochte hoeveelheid en de wettelijk vastgestelde prijs, en – uiterlijk op de 15e van elke maand op eigen aangifte moet worden voldaan en op hetzelfde moment moet worden betaald?
2) Indien de in de eerste prejudiciële vraag beschreven bijkomende winningsvergoeding niet als een belasting wordt aangemerkt, vormt zij dan een „technisch voorschrift” in de zin van artikel 114, lid 1, VWEU en artikel 1 van richtlijn 2015/1535 en is zij dan onderworpen aan de in artikel 5 van deze richtlijn neergelegde verplichting tot voorafgaande kennisgeving?
3) Indien de in de eerste prejudiciële vraag beschreven bijkomende winningsvergoeding onderworpen is aan de verplichting tot voorafgaande kennisgeving door de lidstaat overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 7 van richtlijn 2015/1535, is de rechter van de lidstaat dan bevoegd om te onderzoeken of die kennisgeving heeft plaatsgevonden, wanneer uit de bewoordingen van de wettelijke bepaling die de bijkomende winningsvergoeding voorschrijft, in de versie die van kracht was tussen 8 juli 2021 en 29 maart 2024, blijkt dat een dergelijke kennisgeving heeft plaatsgevonden, ondanks het feit dat de Commissie een inbreukprocedure heeft ingeleid en bij het Hof, wegens in het bijzonder de niet-nakoming van de kennisgevingsverplichting, een beroep heeft ingesteld? Of moet de rechter van de lidstaat in een dergelijk geval de procedure aanhouden in afwachting van het einde van de inbreukprocedure voor het Hof, gelet op het beginsel van loyale samenwerking dat is neergelegd in artikel 4, lid 3, VEU juncto artikel 19 VEU?
4) Is een nationale regeling die de betaling van de in de eerste vraag beschreven bijkomende winningsvergoeding voorschrijft in strijd met de artikelen 49 en 54 VWEU, die de vrijheid van vestiging waarborgen? Is deze regeling van de lidstaat in deze context – in het bijzonder gelet op de daarin vastgestelde verkoopprijs en het bedrag van de te betalen vergoeding – in strijd met artikelen 16 en 17 van het Handvest van de grondrechten, die respectievelijk de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom waarborgen?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-212/05; C-75/18 Vodafone Magyarország; C-323/18 Tesco-Gobal Áruházak; C-711/19 Admiral Sportwetten e.a.; C-83/21 Airbnb Ireland en Airbnb Payments UK.
Specifiek beleidsterrein: EZK; FIN-fiscaal