C-411/03, SEVIC Systems AG, arrest van 13 december 2005

Contentverzamelaar

C-411/03, SEVIC Systems AG, arrest van 13 december 2005

Signaleringsfiche
Arrest van het Hof van Justitie van 13 december 2005, zaak C-411/03, SEVIC Systems AG

Betrokken departementen
Justitie, EZ

Sleutelwoorden
Vrijheid van vestiging - Artikelen 43 en 48 EG - Grensoverschrijdende fusies - Weigering tot inschrijving in nationaal handelsregister

Beleidsrelevantie
Grensoverschrijdende fusies van vennootschappen vallen onder de vrijheid van vestiging. In de huidige regeling werd aangenomen dat een grensoverschrijdende juridische fusie naar Nederlands recht niet geoorloofd is. Inmiddels is de richtlijn grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen tot stand gekomen, welke op 15 december 2007 moet zijn omgezet in de Nederlandse wetgeving (richtlijn 2005/56/EG, PbEG L 310).

Samenvatting van feiten, redenering en dictum
De Duitse instanties weigerden de inschrijving in het handelsregister van een fusie tussen de vennootschap naar Duits recht SEVIC en de vennootschap naar Luxemburgs recht Security Vision, waarbij Security Vision zou worden ontbonden zonder liquidatie en haar vermogen onder algemene titel zou worden overgedragen aan SEVIC. De vraag die bij het Hof van Justitie voorlag is of het in strijd met de vrijheid van vestiging van vennootschappen is (artikelen 43 en 48 EG), wanneer het een buitenlandse Europese vennootschap niet is toegestaan om haar voorgenomen fusie met een Duitse vennootschap in het Duitse handelsregister in te schrijven, omdat de Duitse regeling dit alleen toelaat bij een omzetting van rechtspersonen met zetel in Duitsland.

Het Hof bepaalt dat de werkingssfeer van de vrijheid van vestiging zich uitstrekt tot iedere maatregel die de toegang tot een andere lidstaat dan de lidstaat van vestiging en de uitoefening van een economische activiteit in die lidstaat mogelijk maakt, of zelfs maar vergemakkelijkt, onder dezelfde voorwaarden als die welke voor de nationale marktdeelnemers gelden. Vervolgens stelt het Hof vast dat het Duitse recht een ongelijke behandeling schept tussen interne en grensoverschrijdende fusies, die vennootschappen ervan kan weerhouden om de vrijheid van vestiging uit te oefenen en daarmee een beperking van het recht op vrijheid van vestiging inhoudt. Het Hof erkent dat er bij grensoverschrijdende fusies specifieke problemen kunnen rijzen. Het is daarom niet uitgesloten dat dwingende redenen van algemeen belang, zoals de bescherming van schuldeisers, minderheids-aandeelhouders en werknemers en de doeltreffendheid van fiscale controles een beperking van grensoverschrijdende fusies kunnen rechtvaardigen. Het Hof komt echter tot de conclusie dat lidstaten niet als algemene regel de inschrijving in het handelsregister mogen weigeren van een fusie door ontbinding zonder liquidatie en door overdracht onder algemene titel van het vermogen ervan aan een andere vennootschap, als daarbij een vennootschap uit een andere lidstaat is betrokken, terwijl een inschrijving van een fusie tussen vennootschappen die op het eigen grondgebied zijn gevestigd, voor zover bepaalde voorwaarden zijn vervuld, wel mogelijk is.

Eerste inventarisatie van de mogelijke effecten
Het arrest sluit aan bij eerdere jurisprudentie aangaande de vrijheid van vestiging van kapitaalvennootschappen (zaak C-208/00, Ɯberseering; zaak C-167/01, Inspire Art). Het Hof trekt de ruime interpretatie van het begrip vrijheid van vestiging voor vennootschappen in dit arrest door. De precieze reikwijdte van het arrest is gezien de specifieke casuspositie moeilijk te bepalen. Uit het arrest valt bijvoorbeeld niet met zekerheid af te leiden of een juridische fusie in de zin van Boek 2 BW onder de werking van het arrest valt. Inschrijving in het handelsregister kan in het Nederlands recht overigens niet geweigerd worden, omdat de fusie totstand komt bij notariĆ«le akte.In de casus was sprake van een overdracht onder algemene titel van alle activa en passiva, met als gevolg de ontbinding van de SA. Dit heeft bij de Duitse autoriteiten tot de conclusie geleid dat er sprake is van een juridische fusie. De Advocaat-Generaal bij het Hof spreekt echter over een overname en houdt ook de mogelijkheid open dat het gaat om overdracht van het vermogen van een soort 'dochteronderneming' van de vennootschap in Luxemburg. Uit het arrest valt niet precies af te leiden welke voorwaarden lidstaten nog mogen stellen aan grensoverschrijdende fusies en of voor dergelijke fusies andere voorwaarden mogen gelden dan voor nationale fusies. De eerder genoemde richtlijn vennootschapsrecht laat dit laatste wel toe (artikel 4 lid 2). Het is daarom niet duidelijk of de Nederlandse regelgeving in strijd is met de uitspraak. In het kader van implementatie van de richtlijn is echter al begonnen met aanpassing van de betreffende regelgeving, die uiterlijk 15 december 2007 voltooid zal zijn. Het verdient aanbeveling om de jurisprudentie van het Hof op dit terrein nauwlettend te volgen. De Europese Commissie is voornemens om eind mei/ begin juni 2006 een bijeenkomst met de lidstaten te organiseren om de precieze reikwijdte van het arrest te bespreken.

Voorstel voor behandeling
De ICER zendt het arrest en het bijbehorende fiche aan de ministers van Justitie en Economische Zaken met het verzoek in onderling overleg de precieze reikwijdte van het arrest voor de juridische fusie in de zin van Boek 2 BW nader te bepalen, met inachtneming van de resultaten van de bovengenoemde bijeenkomst bij de Europese Commissie, en daarbij tevens te bepalen of een vervolgfiche noodzakelijk is. De Minister van Justitie wordt tevens verzocht het arrest en het bijbehorende fiche door te sturen aan de Raad voor de Rechtspraak.