C-412/25 CEOcorp  

Contentverzamelaar

C-412/25 CEOcorp  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     28 augustus 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     13 oktober 2025

Trefwoorden: EU-sanctieregel, internationale sanctielijst, bevroren tegoeden, juridische diensten 

Onderwerp: Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen: Artikel 2, lid 3, onder b), en artikel 2, lid 5; Verordening (EU) nr. 269/2014: artikel 4, lid 1, onder b. 

Vennootschap ‘CEOcorp UAB’ (hierna: CEOcorp) heeft een overeenkomst met ‘INTER RAO Lietuva’ (hierna: INTER RAO) om juridische diensten namens INTER RAO te verlenen, voor zover deze buiten het domein vallen van financiële diensten die onderworpen zijn aan vergunningen. In april 2022 plaatste de Litouwse opsporingsdienst voor financiële criminaliteit (ODFC) INTER RAO op de internationale sanctielijst vanwege banden met gesanctioneerde entiteiten. Daardoor blokkeren banken alle betalingen aan CEOcorp, ook die voor eerder geleverde diensten. In juni 2022 verzocht CEOcorp de ODFC om vrijstelling van de sancties. De ODFC heeft het verzoek in augustus 2022 afgewezen. CEOcorp stelt dat dit besluit in strijd is met het recht op rechtsbijstand van INTER RAO. De Litouwse rechter vraagt het Hof of de vrijstellingen van artikel 2, lid 3, onder b van besluit 2014/145/GBVB en artikel 4, lid 1, onder b van verordening 269/2014 ook van toepassing zijn op vóór een sanctie geleverde juridische diensten en of deze bepalingen ook gelden voor juridische diensten die geen directe verband hebben met gerechtelijke procedures.

Prejudiciële vragen: 
1) Zijn artikel 2, lid 3, onder b), van besluit 2014/145/GBVB van de Raad [van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen], en artikel 4, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 269/2014 [van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen], van toepassing in omstandigheden als die van het hoofdgeding, dat wil zeggen wanneer om toepassing van een vrijstelling van het verbod op het gebruik van bevroren tegoeden wordt verzocht voor een betaling op grond van contractuele verplichtingen die zijn ontstaan en nagekomen voordat de naamloze vennootschap ‚INTER RAO Lietuva’ in de lijst van aan sancties onderworpen personen werd opgenomen?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, kunnen dan de kosten van vertegenwoordiging van de onderneming bij aandeelhoudersvergaderingen en van advies over het openen van een bankrekening, over belastingen, over activiteitenbeperkingen, over de toepassing van sancties en over andere aangelegenheden, naar hun aard worden aangemerkt als ‚kosten in verband met de verlening van juridische diensten’ in de zin van artikel 2, lid 3, onder b), van besluit 2014/145/GBVB van de Raad en artikel 4, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 269/2014, dat wil zeggen, hebben artikel 2, lid 3, onder b), van besluit 2014/145/GBVB van de Raad en artikel 4, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 269/2014 enkel betrekking op juridische diensten die rechtstreeks verband houden met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte in de zin van artikel 47, lid 1, van het Handvest, in specifieke gerechtelijke procedures, met uitsluiting van situaties waarin juridische diensten worden verleend door namens of voor rekening van de cliënt op te treden bij het opstellen van documenten of bij de uitoefening van andere bevoegdheden met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten van de cliënt en die geen betrekking hebben op specifieke of concrete geschillen die zich bij een rechter en/of een precontentieuze onderzoeksautoriteit kunnen aandienen?

3) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet dan bij de beantwoording van de vraag of de vrijstelling van het verbod om bevroren tegoeden te gebruiken voor de vergoeding van de in een gerechtelijke procedure gemaakte kosten overeenkomstig artikel 2, lid 3, onder b), van besluit 2014/145/GBVB van de Raad en artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 269/2014 moet worden toegepast, rekening worden gehouden met de vraag of de betrokkene de rechter heeft verzocht om vergoeding van de kosten, met name wanneer de nationale wetgeving de betrokkene daartoe verplicht voordat de zaak ten gronde is afgerond? 

4) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet dan bij de beslissing om al dan niet een vrijstelling toe te passen op een betaling ter dekking van juridische diensten die door een derde ten behoeve van een entiteit werden verricht voordat die entiteit op de lijst van aan sancties onderworpen personen werd geplaatst, met name rekening worden gehouden met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Gerecht van de Europese Unie over de uitlegging van de bepaling ‚uitsluitend bestemd [...] voor de [...] vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten’, en over de criteria voor de toepassing van deze bepaling?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-314/13; C-585/13 P (Europäisch-Iranische Handelsbank/Raad); C-340/20 (Bank Sepah); T-797/22 (Ordre néerlandais des avocats du barreau de Bruxelles/Raad); C-865/24 P (Ordre néerlandais des avocats du barreau de Bruxelles and Others v Council); C-694/20 (Orde van Vlaamse Balies e.a.).

Specifiek beleidsterrein: BZ; EZ

Gerelateerde documenten