C-414/25 Sedrata
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 26 augustus 2025 Schriftelijke opmerkingen: 12 oktober 2025
Trefwoorden: verzoek om internationale bescherming, inbewaringstelling, protocol Italië-Albanië
Onderwerp: Richtlijn 2008/115 (Terugkeerrichtlijn): artikelen 3, 6, 8, 15 en 16; Richtlijn 2013/32 (betreffende internationale bescherming): artikel 9, lid 1.
Deze zaak gaat over een man ‘S.H.’ die uit Tunesië komt en in Italië een verzoek heeft gedaan om internationale bescherming. Het verzoek werd afgewezen en omdat uitzetting niet mogelijk was werd S.H. in bewaring genomen in het terugkeercentrum van Bari. Een maand later werd hij overgebracht naar een terugkeercentrum in Albanië, vanuit waar hij weer (tevergeefs) een verzoek om internationale bescherming heeft aangevraagd in Italië. Deze zaak ziet op de vraag of S.H. het recht had om tijdens de behandeling van het verzoek op het grondgebied van Italië te blijven, in plaats van in Albanië.
Prejudiciële vragen: 1) Staat richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, en in het bijzonder de artikelen 3, 6, 8, 15 en 16 ervan, in de weg aan de toepassing van een nationale regeling (artikel 3, lid 2, van wet nr. 14 van 21 februari 2024) op grond waarvan personen tegen wie een besluit tot inbewaringstelling is bekrachtigd of verlengd overeenkomstig artikel 14 van wetsbesluit nr. 286 van 1998, naar de gebieden als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder c), van het protocol tussen de regering van de Italiaanse Republiek en de ministerraad van de Republiek Albanië ter versterking van de samenwerking op het gebied van migratie, gesloten te Rome op 6 november 2023, mogen worden gestuurd zonder enig vooraf vastgesteld en concreet vooruitzicht op terugkeer?
2) Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, verzet artikel 9, lid 1, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming zich tegen de toepassing van een nationale regeling (wet nr. 14 van 21 februari 2024) op grond waarvan kan worden gelast dat de migrant tegen wie een verwijderingsbesluit is uitgevaardigd en die, nadat hij naar een van de gebieden als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder c), van het protocol tussen de regering van de Italiaanse Republiek en de ministerraad van de Republiek Albanië ter versterking van de samenwerking op het gebied van migratie, gesloten te Rome op 6 november 2023, was gebracht, een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, in die gebieden in bewaring wordt gesteld op grond dat dit verzoek wordt geacht te zijn ingediend met oneigenlijke doelen?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-256/11; C-17/20; C-595/16 Emmea en Commercial Hub; C-617/10; C-257/17 C en A; C-411/10 en C-493/10 N.S. e.a.; C-643/15 Slowakije/Raad; C-554/14; C-144/23.
Specifiek beleidsterrein: AenM