C-425/25 en C-426/25 Stichting Truck Cartel Recovery e.a.
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 9 september 2025 Schriftelijke opmerkingen: 26 oktober 2025
Trefwoorden: kartel, follow-on vorderingen, toepasselijk recht, doeltreffendheidsbeginsel
Onderwerp: Verordening 864/2007 (Rome II): artikel 31; VWEU: artikel 101.
Deze zaken gaan over de vraag welk recht van toepassing is op vorderingen tot vergoeding van schade als gevolg van een ‘enkele en voortdurende inbreuk’ op het kartelverbod van artikel 101 VWEU en artikel 53 EER-overeenkomst (follow-on vorderingen). Nadat de Europese Commissie een geldboete had opgelegd aan fabrikanten die deel hebben genomen aan een kartel tussen 1997 en 2011, zijn er bij de Nederlandse rechter veel zaken aangebracht door partijen die stellen schade te hebben geleden van dit kartel. De Hoge Raad is niet zeker welk recht van toepassing is op de follow-on vorderingen, vanwege twijfel of een voortdurende inbreuk per transactie leidt tot een afzonderlijke schadevordering.
Prejudiciële vragen C-425/25 (vraag 1 is identiek bij C-426/25): 1. Brengt het Unierecht, in het bijzonder het beginsel van doeltreffendheid, mee dat -ter bepaling van het toepasselijke recht - een enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per benadeelde leidt tot één schadevordering (follow-on vordering), die meerdere schadeposten (transacties) kan omvatten (zie hiervoor in 4.2.1-4.2.8)? Of is deze kwalificatie overgelaten aan het recht van de lidstaten en staat het hun vrij om bijvoorbeeld te bepalen dat een dergelijke inbreuk moet worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per transactie leidt tot een afzonderlijke schadevordering (follow-on vordering)?
2. Hoe moet art. 31 Verordening Rome II worden uitgelegd in geval van een schadeveroorzakende gebeurtenis die bestaat in een enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst die voor 11 januari 2009 is begonnen en die op of na die datum is geëindigd (zie hiervoor in 4.3.2-4.3.4)? Meer specifiek: (a) is deze verordening in temporeel opzicht van toepassing ten aanzien van de gehele inbreukperiode, ook als het gaat om de periode voor 11 januari 2009; (b) is deze verordening in temporeel opzicht niet van toepassing ten aanzien van de gehele inbreukperiode, ook niet als het gaat om de periode vanaf 11 januari 2009; of (c) is deze verordening in temporeel opzicht alleen van toepassing ten aanzien van de periode vanaf 11 januari 2009? Hoe moet in een dergelijk geval worden beoordeeld welke gebeurtenissen door die verordening worden bestreken, en welke niet? Indien vraag 2 (a) of (c) bevestigend wordt beantwoord, hetgeen meebrengt dat de Verordening Rome II in deze zaak van toepassing is:
3. Hoe moet het begrip “het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt” in art. 6 lid 3, onder a, Verordening Rome II worden uitgelegd in het geval van een follow-on vordering strekkende tot vergoeding van schade naar aanleiding van een inbreuk op art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst die is vastgesteld door de Europese Commissie en die (meerdere landen dan wel) de gehele EER bestrijkt, en waarbij het gaat om (a) schade geleden door een benadeelde die de goederen waarop de inbreuk op het kartelverbod betrekking heeft (vrachtwagens), in één bepaald land heeft gekocht, gehuurd of geleased van een of meer van de karteldeelnemers of van een of meer tussenliggende partijen zoals dealers (zie hiervoor in 4.6.3-4.6.10); (b) schade geleden door een benadeelde die de goederen waarop de inbreuk op het kartelverbod betrekking heeft (vrachtwagens), in verschillende landen heeft gekocht, gehuurd of geleased van een of meer van de karteldeelnemers of van een of meer tussenliggende partijen zoals dealers (zie hiervoor in 4.6.3¬ 4.6.10); (c) schade geleden door een afnemer van transportdiensten van een of meer partijen die daarvoor als gevolg van de inbreuk hogere prijzen hebben berekend (zie hiervoor in 4.6.9-4.6.10); (d) schade geleden door een partij die stelt (ook) schade te hebben geleden vanwege de vertraging van de timing voor de introductie van nieuwe emissietechnologieën om te voldoen aan de steeds strenger wordende Europese emissienormen welke schade eveneens een gevolg is van de inbreuk en bestaat onder meer uit een hoger brandstofverbruik en hogere andere verbruikskosten, waaronder hogere tolheffing (zie hiervoor in 4.6.11-4.6.12)?
4. (a) Moet art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II aldus worden uitgelegd dat, om een eenzijdige rechtskeuze te kunnen maken, niet alleen moet zijn voldaan aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden, maar ook aan de voorwaarde dat de benadeelde in meerdere landen schade heeft geleden, waaronder het land waar zijn vordering aanhangig is (zie hiervoor in 4.7.3-4.7.5)? (b) Moet art. 6 lid 3, onder b, Verordening Rome II aldus worden uitgelegd dat de mogelijkheid om een eenzijdige rechtskeuze te maken alleen openstaat voor benadeelden die zelf schade hebben geleden, of aldus dat deze mogelijkheid ook openstaat voor eisers die follow-on vorderingen van benadeelden overgedragen hebben gekregen (zie hiervoor in 4.7.6-47.7)?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-605/21 Heuraka/Google; C-412/10 Homawoo; C-251/22 P Scania e.a./Commissie; C-451/18 Tibor-Trans; C-30/20 RH/Volvo; C-27/17 flyLAL-Lithuanian Airlines; C-45/13; C-425/22 MOL/Mercedes-Benz Group; C-352/13 ÖFAB/Koot; C-122/16 P British Airways/Commissie.
Specifiek beleidsterrein: JenV; EZ