C-431/25 Derkei
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 27 augustus 2025 Schriftelijke opmerkingen: 13 oktober 2025
Trefwoorden: fokken van dieren, steunmaatregelen landbouw
Onderwerp: Gedelegeerde verordening 639/2014 (steunregelingen gemeenschappelijk landbouwbeleid): artikel 53, lid 4; Gedelegeerde verordening 640/2014: artikel 2, lid 1, artikel 13, lid 1, artikel 30, lid 4, onder d) en e), en artikel 31, leden 1 en 2.
Verzoeker houdt zich bezig met het fokken van koeien en past binnen zijn bedrijf polygyne voortplanting toe. In 2022 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor nationale overgangssteun en rechtstreekse productiesteun. Het verzoek werd afgekeurd door het ministerie van Landbouw, omdat uit administratieve controle bleek dat de kennisgeving van de voortplantingshandelingen van 41 dieren te laat was gedaan. Er werd ook een sanctie opgelegd. Op grond van nationale regelgeving mag de steun slechts worden vastgesteld op basis van gegevens die uiterlijk op 31 december correct zijn gemeld. Het Unierecht stelt hier geen termijn voor. De verwijzende rechter is van mening dat de latere kennisgeving, na de daadwerkelijke voltooiing van de voortplanting, niet doorslaggevend is (of zou moeten zijn) voor het doel van de steun, en dat de volledige weigering van de steun onevenredig is.
Prejudiciële vragen: 1) Moet artikel 2, lid 1, punt 2, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie aldus worden uitgelegd dat niet kan worden vastgesteld dat dieren niet de hoedanigheid van „geconstateerde dieren” hebben of dat niet aan de voorwaarden voor steunverlening is voldaan, ingeval pas na afloop van het betrokken jaar kennisgeving is gedaan van de polygyne of vrije dekkingen waarvan de periode op 31 december van dat jaar is geëindigd of heeft voortgeduurd tot na die datum, ook al stelt de nationale steunregeling eveneens 31 december van het steunjaar vast als uiterste (referentie)datum voor de kennisgeving van dergelijke voortplantingsdaden, aangezien de Unieregelgeving en de nationale regelgeving inzake het fokken en de voortplanting van runderen geen datum of termijn vaststelt voor de kennisgeving van voortplantingsdaden aan het register?
2) Moet artikel 2, lid 1, punt 2, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, juncto artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, aldus worden uitgelegd dat de datum 31 december van het steunjaar niet kan worden aanvaard als de in artikel 30, lid 4, onder e) van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 genoemde referentiedatum, die is vastgesteld overeenkomstig artikel 53, lid 4 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, in het geval van vrije en polygyne dekkingen waarvan de periode op of na deze datum is geëindigd?
3) Indien de dieren waarbij dit soort voortplanting plaatsvindt als niet-geconstateerd moeten worden beschouwd en indien moet worden vastgesteld dat er sprake is van niet-naleving van de voorwaarden voor de toekenning van de steun, is het dan voor het rechtsgevolg van deze vaststelling van belang dat voor het betrokken dier, indien van toepassing, in het betrokken jaar van een voortplantingsdaad kennisgeving was gedaan voor een eerdere periode, of dat, gelet op de duur van de dracht, het dier in het betrokken jaar niet kon afkalven omdat de voortplantingsdaad na dat jaar heeft plaatsgevonden?
4) Indien de betrokken dieren voor de toepassing van de steun niet als „niet-geconstateerd” kunnen worden beschouwd, moet artikel 13, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, gelezen in het licht van artikel 2, lid 1, punten 2 en 5, van deze verordening, dan aldus worden uitgelegd dat de sanctie bestaande in een verlaging van het steunbedrag met 1 % per werkdag wegens te late indiening van de steunaanvraag en van de bewijsstukken, contracten of andere aangiften waarop deze aanvraag is gebaseerd, ook moet worden toegepast wanneer na 31 december van het steunjaar bij het register kennisgeving wordt gedaan van voortplantingsdaden bij runderen die niet tot afkalven hebben geleid?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -
Specifiek beleidsterrein: LVVN