C-442/09, Karl Heinz Bablok e.a. vs. Freistaat Bayern in aanwezigheid van Monsanto Technology LLC e.a., arrest van 6 september 2011

Contentverzamelaar

C-442/09, Karl Heinz Bablok e.a. vs. Freistaat Bayern in aanwezigheid van Monsanto Technology LLC e.a., arrest van 6 september 2011

C-442/09, Karl Heinz Bablok e.a. vs. Freistaat Bayern in aanwezigheid van Monsanto Technology LLC e.a., arrest van 6 september 2011

Signaleringsfiche
Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, C-442/09, Karl Heinz Bablok e.a. vs. Freistaat Bayern in aanwezigheid van Monsanto Technology LLC e.a. 

Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie 

Betrokken departementen: I&M, ELI en VWS  

Sleutelwoorden
Genetisch gemodificeerde levensmiddelen – verordening 1829/2003 – richtlijn 2001/18 – aanwezigheid van stuifmeel van genetisch gemodificeerde planten – in de handel brengen – ‘organisme’ – ‘levensmiddelen die ingrediënten bevatten die met genetisch gemodificeerde organismen zijn geproduceerd’.  

Beleidsrelevantie
De uitspraak heeft zeer waarschijnlijk gevolgen voor het ggo-beleid van de lidstaten. Voor Nederland gaat het dan om het beleid voor het op de markt brengen van levensmiddelen die al dan niet toevallig ingrediënten bevatten die met ggo’s zijn geproduceerd van VWS, voor het beleid inzake veldproeven van I&M en voor het beleid gericht op het naast elkaar laten bestaan van ggo-landbouw, de conventionele en biologische landbouw van ELI (het zgn. co-existentiebeleid).  

Samenvatting van feiten, redenering en dictum
Bablok is hobbyimker. Hij produceert honing voor de verkoop en voor eigen verbruik in de nabijheid van grond waarop in het verleden voor onderzoeksdoeleinden genetisch gemodificeerde maïs was geplant. De Freistaat Bayern is eigenaar van deze grond. Bablok produceerde in het verleden ook stuifmeel voor de verkoop als levensmiddel in de vorm van voedingssupplementen. In een geschil tussen Bablok en de Freistaat stelt de Duitse rechter prejudiciële vragen. Het Hof wordt gevraagd aan te geven of de honing een levensmiddel is dat onder verordening 1829/2003 valt en waarvoor een markttoelatingsvergunning vereist is. Die verordening regelt de toelating van, het toezicht op, en de etikettering van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders. De verordening is van toepassing op a) ggo’s die voor voedingsdoeleinden worden gebruikt, b) levensmiddelen die geheel of gedeeltelijk uit ggo’s bestaan, c) levensmiddelen die met ggo’s zijn geproduceerd of ingrediënten bevatten die daarmee zijn geproduceerd. Het Hof beoordeelt eerst of het maïsstuifmeel dat genetisch gemodificeerd DNA en genetisch gemodificeerde eiwitten bevat een ggo is, meer specifiek of het een ‘organisme’ is. Een organisme is volgens de verordening een biologische entiteit met het vermogen tot replicatie of tot overdracht van genetisch materiaal. Vaststaat dat het stuifmeel geen reproductiecapaciteit meer bezit. Of het stuifmeel in staat is tot overdracht van genetisch materiaal moet de verwijzende rechter vaststellen, vindt het Hof. Mocht de verwijzende rechter oordelen dat het stuifmeel niet of niet meer in staat is tot overdracht van genetisch materiaal en dus geen organisme (en dus geen ggo) is, dan nog betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat dit stuifmeel en daarmee de honing niet onder vergunningplicht van de verordening valt. Het kan dan immers nog steeds een levensmiddel zijn dat met ggo’s is geproduceerd of ingrediënten bevat die daarmee zijn geproduceerd (artikel 3, onder c van de verordening). Het Hof beoordeelt dat ook. Het stuifmeel is afkomstig van maïs MON 810 (een ggo). Het stuifmeel is dus ‘met ggo’s geproduceerd’. Bovendien moet het stuifmeel worden aangemerkt als een ingrediënt dat is geproduceerd met ggo’s. De argumenten van de Europese Commissie en het bedrijf om te voorkomen dat de honing onder de vergunningplicht zou vallen, weerlegt het Hof. Die argumenten zouden de doelstelling van bescherming van de menselijke gezondheid van de verordening in gevaar brengen. Een levensmiddel zou dan namelijk onttrokken zijn aan elke veiligheidscontrole, ook al zou het grote hoeveelheden genetisch gemodificeerd materiaal bevatten. Bepalend criterium voor toepassing van de verordening is immers of er in het levensmiddel (…) nog materiaal aanwezig is dat van het genetisch gemodificeerde uitgangsmateriaal is afgeleid. Daarbij is niet bepalend of het stuifmeel doelbewust in de honing is gebracht dan wel in welke hoeveelheid het stuifmeel aanwezig is. De tolerantiedrempel die geldt voor de etiketteringsplicht (0,9% per ingrediënt) kan dan ook niet analoog worden toegepast op de vergunnings- en toezicht plicht. Dat zou ook indruisen tegen de doelstelling van de verordening van een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens.   

Eerste inventarisatie van de mogelijke effecten voor het beleid, wetgeving, rechtspraak of rechtspraktijk
Deze uitspraak komt erop neer dat voor het in de handel brengen van levensmiddelen waarin al dan niet toevallig ingrediënten zitten afkomstig van een genetisch gemodificeerd organisme een Europese markttoelating is vereist. Bekeken moet worden of deze uitspraak consequenties heeft voor de vergunningverlening voor veldproeven op basis van richtlijn 2001/18, voor het co-existentiebeleid) en of en hoe voorkomen moet worden dat dit soort ingrediënten in levensmiddelen kunnen komen. Ook is van belang na te gaan of uitspraak gevolgen heeft voor diervoeders. Daarbij zal rekening gehouden worden met de bijenhouderij en met de gewassen die afhankelijk zijn van bestuiving door bijen. Verder moet worden onderzocht of de mogelijke gevolgen van deze uitspraak zo zwaar wegen dat bij de Europese Commissie zou moeten worden aangedrongen op wijziging van de EU-regelgeving op dit punt. 

Voorstel voor behandeling
De ICER zendt het arrest en het bijbehorende signaleringsfiche aan de minister van VWS, I&M en ELI. In een vervolgfiche zal worden ingegaan op bovenstaande vragen en zal worden aangegeven welke gevolgen dit arrest precies heeft voor de hiervoor genoemde beleidsterreinen.