C-476/11, HK Danmark (voor Glennie Kristensen) tegen Experian A/S, arrest van 26 september 2014

Contentverzamelaar

C-476/11, HK Danmark (voor Glennie Kristensen) tegen Experian A/S, arrest van 26 september 2014

Signaleringsfiche

Arrest van het Hof van Justitie van 26 september 2013 in de zaak C-476/11, HK Danmark (voor Glennie Kristensen) tegen Experian A/S

Betrokken departementen
SZW, BZ, BZK en V&J

Sleutelwoorden
Beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie –Artikel 21, lid 1 - Richtlijn 2000/78/EG – Artikel 6, leden 1 en 2 – Bedrijfspensioenverzekering – Leeftijdsafhankelijke progressiviteit van bijdragen

Beleidsrelevantie
Uit deze uitspraak volgt dat er maar twee zelfstandige uitzonderingsgronden op het verbod op leeftijdsdiscriminatie in arbeid en beroep in artikel 6, lid 2 van Richtlijn 2000/78 zijn vastgelegd. Volgens de uitleg van het Hof zijn dat (1) het vaststellen van een toetredingsleeftijd en (2) het vaststellen van een leeftijd voor het verkrijgen van het recht op een uitkering. Het gebruik van leeftijdscriteria in actuariële berekeningen valt alleen onder de uitzondering van artikel 6, lid 2, als dit leidt tot de hiervoor bedoelde leeftijdsgrenzen. Progressieve leeftijdsafhankelijke pensioenbijdragen, die onderdeel vormen van de arbeidsovereenkomst, maar geen toetreding- of pensioengerechtigde leeftijd voorschrijven dan wel impliceren, vallen derhalve niet onder deze twee  uitzonderingen. Dergelijke arbeidsvoorwaarden kunnen wel op grond van artikel 6, lid 1 zijn uitgezonderd, mits zijgerechtvaardigd kunnen worden door een legitiem doel en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. Artikel 8, derde lid, van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid dient als gevolg van deze uitspraak te worden aangepast.

Samenvatting van feiten, redenering en dictum
Kristensen is op 29-jarige leeftijd in dienst genomen door Experian. Haar arbeidsovereenkomst bepaalde dat zij na 9 maanden dienstverband zou toetreden tot het pensioenstelsel van Experian. Dit pensioenstelsel kent leeftijdsafhankelijk bijdragepercentages; is een werknemer jonger dan 35 jaar, dan betaalt de werknemer 3% en de werkgever 6% van het loon als pensioenbijdrage; is de werknemer 35 tot en met 44 jaar, dan betaalt de werknemer 4% en de werkgever 8%; is de werknemer 45 jaar of ouder, dan zijn de percentages respectievelijk 5 en 10%.
Het salaris van Kristensen bestond dus uit een basisloon, vermeerderd met 6% als werkgeversbijdrage voor het pensioen. Als Kristensen ouder was geweest, had zij door de hogere werkgeversbijdrage een hoger inkomen gehad. Kristensen heeft per 31 oktober 2008 ontslag genomen. Ze heeft, op de grond dat het door Experian ingevoerde pensioenstelsel verboden leeftijdsdiscriminatie vormt, van Experian negen maanden salaris gevorderd als schadevergoeding alsmede betaling van de achterstallige pensioenbijdragen tegen het percentage voor werknemers ouder dan 45. Experian heeft deze vorderingen afgewezen op grond dat de pensioenstelsels in het algemeen niet onder het in de Deense antidiscriminatiewet neergelegde verbod van discriminatie op grond van leeftijd vallen. De verwijzende rechter heeft het Hof gevraagd of de leeftijdsafhankelijke bijdragepercentages van het onderhavige pensioenstelsel onder de uitzondering van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78/EG vallen. Uit deze bepaling volgt dat het vaststellen van een toetredingsleeftijd of een leeftijd voor het verkrijgen van het recht op pensioen- of invaliditeitsuitkering en het gebruik van leeftijdscriteria voor actuariële berekeningen in een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid geen verboden leeftijdsdiscriminatie vormt, mits het niet leidt tot discriminatie naar geslacht. Het Hof stelt vast dat sprake is van een verschil in behandeling naar leeftijd. Omdat artikel 6, lid 2, een uitzondering mogelijk maakt op het beginsel van non-discriminatie, moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd. De uitzondering geldt alleen voor de elementen die uitdrukkelijk en limitatief in die bepaling zijn vermeld, namelijk het vaststellen van een toetredingsleeftijd of een pensioengerechtigde leeftijd. De leeftijdsafhankelijke progressiviteit van de pensioenbijdragen kan gevolgen hebben die verder strekken dan een eenvoudige vaststelling van een toetredingsleeftijd of een pensioengerechtigde leeftijd. Leeftijdsafhankelijke pensioenbijdragen zijn dan ook niet onder die vermelde elementen te rekenen. Volledigheidshalve onderzoekt het Hof ook of het verschil in behandeling in het kader van artikel 6, lid 1, van de richtlijn gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. Het doel om alle werknemers de mogelijkheid te bieden een voldoende groot pensioenbedrag bijeen te sparen acht het Hof legitiem. Het Hof vindt het niet onredelijk ervan uit te gaan dat de leeftijdsafhankelijke progressiviteit van de bijdragen genoemde doelstellingen kan bereiken. Een maatregel is evenwel slechts passend, indien deze maatregel deze doelstellingen daadwerkelijk op coherente en systematische wijze nastreeft. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of de leeftijdsafhankelijke progressiviteit van de bijdragen aan dit vereiste voldoet. Ook de vraag of het hanteren van de leeftijdsafhankelijke bijdragen niet verder gaat dan noodzakelijk is om het doel te bereiken laat het Hof over aan de nationale rechter.

Eerste inventarisatie van de mogelijke effecten
Het Hof heeft zich voor de eerste keer uitgelaten over het aantal zelfstandige uitzonderingsgronden in artikel 6, lid 2, van de Richtlijn 2000/78 en de onderlinge samenhang tussen de gronden.
Dit arrest maakt duidelijk dat het hanteren van leeftijdsafhankelijke, progressieve pensioenbijdragen niet onder de uitzondering van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78/EG valt. In Nederland is er steeds vanuit gegaan dat de uitzondering hiervoor wel zou gelden, omdat het verschil in behandeling is terug te voeren op actuariële berekeningen. Uit de overwegingen van het Hof volgt dat er geen drie, maar twee zelfstandige uitzonderingsgronden zijn. Volgens de uitleg van het Hof geldt de uitzondering alleen voor (1) het vaststellen van een toetredingsleeftijd en (2) het vaststellen van een leeftijd voor het verkrijgen van het recht op een uitkering. Het gebruik van leeftijdscriteria in actuariële berekeningen valt alleen onder de uitzondering van artikel 6, lid 2, als dit leidt tot de hiervoor bedoelde leeftijdsgrenzen.

In Nederland is artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78/EG voor pensioenen omgezet in artikel 8 van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbl). In het derde lid van artikel 8 Wgbl wordt het verbod van onderscheid niet van toepassing verklaard op actuariële berekeningen bij pensioenvoorzieningen waarbij met leeftijd rekening wordt gehouden. Deze bepaling zal moeten worden aangepast, in die zin dat het aan het hanteren van leeftijdsafhankelijke pensioenbijdragen inherente verschil in behandeling niet verboden is, als er een objectieve rechtvaardiging in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG en artikel 7 Wgbl (legitiem doel, passende en noodzakelijke middelen) voor is. Dit geldt zowel voor werknemers- als voor werkgeversbijdragen.  Als in pensioenregelingen gebruik wordt gemaakt van leeftijdsafhankelijke pensioenbijdragen, dan zullen partijen de objectieve rechtvaardiging steeds duidelijk moeten aangeven. Dat geldt ook als actuariële berekeningen voor andere doeleinden dan het vaststellen van leeftijdsafhankelijke pensioenbijdragen worden gebruikt (bijvoorbeeld het vaststellen van de hoogte van de pensioenuitkering).
Het in het Staffelbesluit gemaakte leeftijdonderscheid is door de CGB (nu: het College voor de Rechten van de Mens) reeds objectief gerechtvaardigd geoordeeld omdat het verschil in premiepercentage is gericht op een voor alle werknemers gelijke pensioenuitkomst. De staffels kunnen derhalve in stand blijven.
Niet uit te sluiten is dat in de afgelopen periode in een aantal pensioenregelingen onderscheid op grond van leeftijd bij actuariële berekeningen gemaakt, waarop de uitzondering van artikel 6 lid 2 van de Richtlijn niet van toepassing is. Een toename van het aantal rechtszaken op dit punt is niet ondenkbaar, zoals ook wordt aangegeven in de noot bij het arrest (zie PJ 2013/176, noot van mr. M.J.C.M. van der Poel, punt 28).

Voorstel voor behandeling
De ICER-H heeft het fiche vastgesteld en zendt dit fiche en het arrest ter kennisgeving aan de leden van het IOWJZ. Indien nodig kan het fiche ter kennisname aan hun Ministers worden doorgeleid. Een vervolgfiche is niet noodzakelijk.

Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie