C-486/12 X, arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 december 2013

Contentverzamelaar

C-486/12 X, arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 december 2013

Disclaimer:  Dit fiche is op de ECER site gepubliceerd, onder voorbehoud van eventuele wijzigingen  

Signaleringsfiche
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 december 2013 C-486/12  X

Betrokken departementen
BZK, V&J

Sleutelwoorden
Bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens – Richtlijn 95/46/EG – Voorwaarden voor uitoefening van recht van toegang – Heffing van bovenmatige kosten

Beleidsrelevantie
Artikel 12 van de Europese privacyrichtlijn staat er niet aan in de weg dat een overheidsinstantie op grond van nationale regelgeving kosten in rekening brengt voor inzage in persoonsgegevens zolang die kosten niet “bovenmatig” zijn. Het Hof heeft bepaald dat dit betekent dat zij niet mogen uitgaan boven de kostprijs van de verstrekking van die gegevens

Samenvatting van feiten, redenering en dictum
Verzoekster heeft een verkeersovertreding begaan en is daarvoor op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften beboet. Zij gaat bij de kantonrechter in beroep. Omdat in de zaak de adreshistorie van belang is in verband met betekening van de stukken vraagt zij bij de gemeente (schriftelijk) na welke gegevens in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) over 2008 en 2009 waren opgenomen. Deze worden in gewaarmerkte vorm verstrekt tegen leges ad € 12,80. Zij maakt zonder succes bezwaar tegen het rekenen van leges. Gezien de tekst van artikel 79, leden 1-3 Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (over verschillende mogelijkheden tot inzage), en artikel 12, aanhef en onder a) Richtlijn 95/46 (“elke betrokkenen heeft het recht van de voor de verwerking verantwoordelijke vrijelijk en zonder beperking, met redelijke tussenpozen en zonder bovenmatige vertraging of kosten” inzage te krijgen in zijn eigen persoonsgegevens), zag het Hof Den Bosch aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Het Hof wilde in essentie weten  of “zonder” in artikel 12, aanhef en onder a) Richtlijn 95/46 alleen betrekking op “vertraging” of ook op “kosten”, en indien tevens op “kosten” wat wordt dan bedoeld met “bovenmatig”? Het Hof concludeert eerst, op basis van een vergelijking van de Nederlandse taalversie met andere taalversies, dat in geen enkele versie eenduidig is bepaald dat die verstrekking gratis zou moeten zijn. De bepaling verzet zich er niet tegen dat voor de verstrekking van persoonsgegevens door een overheidsinstantie kosten in rekening worden gebracht.
Vervolgens geeft het Hof aan dat kosten niet bovenmatig zijn in de zin van de richtlijn indien het bedrag dat wordt gerekend voor de inzage van de persoonsgegevens niet uitgaat boven de kostprijs van de verstrekking. Dit om te garanderen dat geen obstakel wordt opgeworpen voor het uitoefenen van een grondrecht dat is vastgelegd in Unierecht (artikel 8 EU-Handvest: bescherming persoonsgegevens). De nationale rechter zal dit moeten onderzoeken en vaststellen.

Inventarisatie van de mogelijke effecten
Uit deze uitspraak volgt duidelijk dat Europees recht geen “gratis” verstrekking van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten vergt. Voor wat in casu de mogelijke bovenmatigheid betreft, moet het oordeel van het Hof Den Bosch worden afgewacht. Daarbij is van belang dat verzoeken tot inzage veel werk generen voor gemeenten, en dat er dus veel kosten voor worden gemaakt. De Nederlandse inzet met betrekking tot de algemene verordening gegevensbescherming is om de huidige situatie – het Europeesrechtelijk openhouden van de mogelijkheid om leges te vragen - te handhaven.

Voorstel voor behandeling
De ICER zendt het fiche en het arrest ter kennisname aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Een vervolgfiche is niet noodzakelijk. 

Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie