C-501/25 Junta de Andalucia
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 28 oktober 2025 Schriftelijke opmerkingen: 14 december 2025
Trefwoorden: fraude, verduistering overheidsgeld, loyale samenwerking, sancties, aansprakelijkheid
Onderwerp: VEU: artikel 2 en artikel 19, lid 1; VWEU: artikel 325, lid 1; Handvest: artikelen 47 en 49; Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de EG: artikel 2; Verordening 2988/95 betreffende de bescherming van de financiële belangen: artikel 1, lid 2, artikel 2, leden 1 en 4, artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 4 en artikel 7; Richtlijn 2017/1371 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt: artikel 2, lid 1, onder a), artikel 3, leden 1 en 2, en artikel 4, lid 3.
Deze zaak gaat over verschillende leden van de regering en overheid in Spanje, die zijn veroordeeld wegens ambtsmisdrijven en verduistering van overheidsgelden. Zij hebben het geld verduistert via een wetgevingsprocedure voor begrotingswetten, waarin zij op illegale wijze subsidies verdeelden. Het constitutioneel Hof oordeelde dat besluiten waarin de regering het wetgevend initiatief uitoefent, niet kunnen worden aangemerkt als bestuurshandelingen, en vernietigt het arrest gedeeltelijk. De verwijzende rechter twijfelt of die uitspraak verenigbaar is met het Unierecht, omdat hier een ruimte van straffeloosheid ontstaat die onverenigbaar is met de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen, en kan leiden tot schade aan de financiële belangen van de Unie.
Prejudiciële vragen: 1. Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 325, lid 1, VWEU, artikel 2 van de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, ondertekend te Brussel op 26 juli 1995, de artikelen 47 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, verordening (EG) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, en de rechtspraak waarbij deze worden toegepast en uitgelegd, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling of praktijk volgens welke de Tribunal Constitucional (grondwettelijk hof, Spanje), als orgaan dat geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht, de hem toekomende toetsingsbevoegdheid overschrijdt en zich op gebieden begeeft die tot de bevoegdheid van de gewone rechters behoren, door – middels een alternatieve uitlegging van de bestanddelen van de delictsomschrijving van ‚ambtsmisdrijf’ en ‚verduistering van overheidsgelden’ – de door de gewone nationale rechters verrichte bewijswaardering en beoordeling of de feiten aan die delictsomschrijvingen beantwoorden, te wijzigen?
2. Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 325, lid 1, VWEU, artikel 2 van de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, ondertekend te Brussel op 26 juli 1995, de artikelen 47 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, verordening (EG) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, en de rechtspraak waarbij deze worden toegepast en uitgelegd, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling of praktijk volgens welke de voorontwerpen van begrotingswetten, ontwerpbegrotingswetten en begrotingswetten van de autonome regio Andalusië voor de jaren 2002 tot en met 2009 worden uitgelegd op een wijze die in strijd is met de Uniewetgeving en -rechtspraak, doordat alle begrotingsactiviteiten, vanaf de eerste fase van het opstellen van begrotingen tot en met de laatste fase van de uitvoering ervan, worden onttrokken aan iedere vorm van controle, waardoor de situatie zou kunnen ontstaan dat overheidsgelden niet worden beschermd en afbreuk wordt gedaan aan zowel de goede werking van de begrotingsactiviteit van de Staat als het vertrouwen van de samenleving in het eerlijke beheer van overheidsgelden en in het plichtsbesef en de transparantie van overheidsfunctionarissen die belast zijn met het beheer van publieke goederen?
3. Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 325, lid 1, VWEU, artikel 2 van de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, ondertekend te Brussel op 26 juli 1995, de artikelen 47 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, verordening (EG) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, en de rechtspraak waarbij deze worden toegepast en uitgelegd, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling of praktijk volgens welke de voorontwerpen van begrotingswetten, ontwerpbegrotingswetten en begrotingswetten van de autonome regio Andalusië voor de jaren 2002 tot en met 2009 worden uitgelegd op een wijze die in strijd is met Uniewetgeving en -rechtspraak en met de internationale vereisten om i) politieke corruptie, fraude en onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad te bestrijden, ii) corruptie in het algemeen te voorkomen en te bestrijden, en iii) te voorzien in de toepassing van doeltreffende en afschrikkende sancties voor het geval dat dergelijke delicten worden gepleegd?
4. Moeten het beginsel van voorrang van het Unierecht, artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 325, lid 1, VWEU, de artikelen 47 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de rechtspraak waarbij deze worden toegepast en uitgelegd, aldus worden uitgelegd dat zij toestaan dat een gewone nationale rechter – die optreedt als Europees rechter uit hoofde van het Unierecht, de Verdragen en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie – geen toepassing geeft aan arresten van de Tribunal Constitucional waarin de voorontwerpen van begrotingswetten, ontwerpbegrotingswetten en begrotingswetten van de autonome regio Andalusië voor de jaren 2002 tot en met 2009 worden uitgelegd op een wijze die leidt tot de vaststelling dat de gedragingen van bepaalde beklaagden rechtmatig zijn, wanneer volgens de gewone nationale rechter i) die begrotingsbepalingen indeling als een delict niet uitsluiten en alle handelingen die verband houden met de begrotingsactiviteit, vanaf de eerste fase van het opstellen van begrotingen tot en met de laatste fase van de uitvoering ervan, onttrekken aan iedere vorm van controle, ii) de uitlegging door de Tribunal Constitucional in strijd is met de internationale vereisten om politieke corruptie, fraude, onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad en corruptie in het algemeen te voorkomen en te bestrijden en te voorzien in de toepassing van doeltreffende en afschrikkende sancties voor het geval dat dergelijke delicten worden gepleegd?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-357/19, C-379/19, C-547/19, C-811/19 en C-840/19 Euro Box Promotion e.a.; C-859/19, C-926/19 en C-929/19 FX e.a. (Gevolgen van arresten van een grondwettelijk hof III); C-107/23 PPU LIN; C-156/21 Hongarije/Parlement en Raad; C-545/21 ANAS; (C-282/20 ZX.
Specifiek beleidsterrein: JenV; FIN