C-505/25 Caixa Geral de Depositos
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 31 oktober 2025 Schriftelijke opmerkingen: 17 december 2025
Trefwoorden: kredietovereenkomsten, definitie consument
Onderwerp: Richtlijn 2014/17 inzake kredietovereenkomsten: artikel 4.
De zaak gaat over een executiegeschil tussen de bank en een getrouwd stel (een docent en een arts). Zij hadden meerdere hypothecaire leningen afgesloten in 2008, om de aankoop van onroerende goederen te financieren en daarmee plattelandstoerisme en landbouw te ontwikkelen. De verzoekers betogen dat de bank de buitengerechtelijke regulariseringsprocedure had moeten toepassen omdat zij consumenten zijn. Het is de vraag of het begrip ‘consument’, voor de toepassing van artikel 4 van richtlijn 2014/17, ook twee natuurlijke personen omvat waarvan de kredietdoeleinden niet tot hun beroepsactiviteit behoren. De bank stelt dat hun leningen juist (deels) voor investeringsdoeleinden waren bestemd.
Prejudiciële vraag: Moet het begrip „consument” in de zin en voor de toepassing van artikel 4 van richtlijn [2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010] aldus worden uitgelegd dat twee natuurlijke personen die het beroep van arts en leraar in het middelbaar onderwijs uitoefenen en die zonder voorafgaande ervaring of opleiding op het gebied van vastgoedbelegging leningsovereenkomsten sluiten met een bankinstelling die volledig of ten dele ertoe strekken een landgoed te verwerven voor de exploitatie ervan als plattelandstoerisme en landbouwproject, handelen voor doeleinden die buiten hun bedrijfs- of beroepsactiviteiten vallen en bijgevolg geen consumenten zijn?
Of moeten zij worden beschouwd als „consumenten” in de zin en voor de toepassing van artikel 4 van richtlijn 2014/17 omdat zij hebben gehandeld in de uitoefening van een bedrijfs- of beroepsactiviteit die zeer winstgevend leek?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-347/23 Zabitoń.
Specifiek beleidsterrein: FIN