C-506/25 Raukar-Gamulin e.a.
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 24 december 2025 Schriftelijke opmerkingen: 10 februari 2026
Trefwoorden: EOM, onafhankelijkheid rechterlijke instantie, bevoegdheidsverdeling
Onderwerp: Verordening 2017/1939 (EOM): artikel 6, lid 1 en artikel 25, lid 6.
Het Kroatisch parlement heeft een beroep ingesteld tot toetsing van de grondwettigheid van een nationale wet ter uitvoering van verordening 2017/1939, dat bepaalt dat de procureur-generaal van Kroatië beslist over een bevoegdheidsconflict tussen het openbaar ministerie en het Europees Openbaar Ministerie (EOM). Verzoekers komen op tegen het feit dat die wet niet voorziet in een rechtsmiddel tegen de beslissing van de procureur-generaal (of in enig andere rechterlijke toetsing) terwijl de procureur-generaal niet als rechterlijke instantie kan worden beschouwd omdat het niet onafhankelijk is. Daarbij is volgens de verzoekers de wet in strijd met de verordening.
Prejudiciële vragen:
I. Staat artikel 6, lid 1, van verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie („EOM”) (PB 2017, L 283, blz. 1), dat het beginsel van onafhankelijkheid van het EOM waarborgt, in de weg aan een nationale bepaling op grond waarvan de procureur-generaal van de Republiek Kroatië bevoegd is om uitspraak te doen over een bevoegdheidsconflict in de zin van artikel 25, lid 6, van verordening 2017/1939, terwijl hij deel uitmaakt van dezelfde nationale organisatie van openbare aanklagers als de aan hem ondergeschikte nationale strafvervolgingsinstanties die betrokken zijn bij een bevoegdheidsconflict met het EOM en de nationale wetgeving niet voorziet in rechterlijke toetsing van een beslissing over een dergelijk conflict? II. Moet de uitdrukking „nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor de toewijzing van de strafvervolgingsbevoegdheid op nationaal niveau” in artikel 25, lid 6, van verordening 2017/1939 aldus worden uitgelegd dat die nationale autoriteiten onder het autonome begrip „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU moeten vallen, wil het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig artikel 42, lid 2, onder c), van verordening 2017/1939 bevoegd zijn om uitspraak te doen over „een bevoegdheidsconflict tussen het EOM en de bevoegde nationale autoriteiten”?
III. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, valt een niet-rechterlijke autoriteit, zoals de procureur-generaal met zijn status en bevoegdheden naar Kroatisch recht, dan onder het begrip „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU en artikel 42, lid 2, onder c), van verordening 2017/1939? Zo niet, kan de procureur-generaal dan toch op grond van artikel 25, lid 6, van verordening 2017/1939 uitspraak doen over bevoegdheidsconflicten?
IV. Staan artikel 25, lid 6, en artikel 42, lid 2, onder c), van verordening 2017/1939 in de weg aan een nationale bepaling volgens welke een niet-rechterlijke autoriteit, zoals de procureur-generaal, krachtens artikel 25, lid 6, van die verordening bevoegd is om te beslissen over een bevoegdheidsconflict, zonder dat daarbij is voorzien in een specifiek rechtsmiddel dat het EOM, een nationale openbare aanklager of de advocaat van de beklaagde in staat stelt om de aldus door de procureur-generaal gegeven beslissing aan te vechten voor een bevoegde strafrechter, die dan krachtens artikel 42, lid 2, onder c), van verordening 2017/1939 het Hof van Justitie van de Europese Unie zou kunnen verzoeken om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 22 en 25 van die verordening, dan wel, in voorkomend geval, van de artikelen 2 tot en met 5 van richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB 2017, L 198, blz. 29)?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-292/23 Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen); C-508/18 en C-82/19 PPU OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau); C-509/18 PF (Procureur-generaal van Litouwen); C-195/06 Österreichischer Rundfunk; C-246/05 ; C-506/04 ; C-169/08 Presidente del Consiglio dei Ministri; C-293/12 en C-594/12 Digital Rights Ireland e.a.; C-526/14 ; C-817/19 Ligue des droits humains.
Specifiek beleidsterrein: JenV