C-507/25 Protect East Meath  

Contentverzamelaar

C-507/25 Protect East Meath  

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     20 oktober 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     6 december 2025

Trefwoorden: besluit, beroepstermijn, termijnverlenging milieueffectbeoordeling, effectieve rechtsbescherming, doeltreffendheidsbeginsel, rechtszekerheid

Onderwerp: Handvest: artikelen 41 en 47; Richtlijn 2011/92 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten: artikelen 6 en 11.

Verzoekers Alex en Shahla hebben een procedure gestart tegen de Ierse planningsautoriteit, tot nietigverklaring van een omgevingsvergunning die in 2023 is verleend. Het beroepstermijn tegen het besluit betreft acht weken, en start op grond van nationaal recht op de dag van het besluit. Verzoekers wilden in beroep gaan, maar waren te laat omdat zij de daadwerkelijke kennisgeving van het besluit pas een maand later hadden ontvangen, waardoor de termijn verstreken was. De Ierse rechter twijfelt of dit systeem verenigbaar is met het Unierecht, met name het recht op een effectieve rechtsbescherming. Hij stelt het Hof vragen over de (ingang van) beroepstermijnen, en over het al dan niet verplicht aanbieden van compensatie bij een te late kennisgeving. 

Prejudiciële vragen: 
1.    Vereisen artikel 41 en/of 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en/of artikel 6 en/of artikel 11 van richtlijn 2011/92, gelezen in het licht van het algemene Unierechtelijke beginsel van rechtszekerheid en/of artikel 6 en/of artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, dat namens de Europese Gemeenschap is gesloten bij besluit 2005/370 van de Raad – in het kader van een beroep (op grond van richtlijn 2011/92, richtlijn 92/43 van de Raad, richtlijn 79/409 en/of richtlijn 2008/50) tegen een vergunning voor een project waarvoor in de eerste onderzoeksfase is geconcludeerd dat een milieueffectbeoordeling als bedoeld in richtlijn 2011/92 niet nodig was, op grond van de nationale regeling waarbij artikel 4, lid 3, van richtlijn 2011/92 is omgezet (voor zover dit bepaalt dat de lidstaten drempelwaarden of criteria kunnen vaststellen om te bepalen wanneer projecten niet hoeven te worden onderworpen aan het besluit op grond van artikel 4, leden 4 en 5, en evenmin aan een milieueffectbeoordeling) en waarvoor is vastgesteld dat een passende beoordeling als bedoeld in richtlijn 92/43 niet nodig was – hetzij dat het nationale recht van een lidstaat, wanneer daarin is bepaald dat de beroepstermijn loopt vanaf de datum waarop het besluit is vastgesteld en niet vanaf de datum waarop het ter kennis is gebracht, een redelijk korte termijn of een willekeurige termijn vaststelt voor elke wijze van kennisgeving van een besluit, hetzij, subsidiair, het nationale recht van een lidstaat een termijn vaststelt die ingaat op het moment van kennisgeving van een besluit, indien de termijn die voor elke wijze van kennisgeving geldt, discretionair is?

2.    Vereisen artikel 41 en/of 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en/of artikel 6 en/of artikel 11 van richtlijn 2011/92, gelezen in het licht van het algemene Unierechtelijke beginsel van rechtszekerheid en/of artikel 6 en/of artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, dat namens de Europese Gemeenschap is gesloten bij besluit 2005/370 van de Raad – in het kader van een beroep (op grond van richtlijn 2011/92, richtlijn 92/43 van de Raad, richtlijn 79/409 en/of richtlijn 2008/50) tegen een vergunning voor een project waarvoor in de eerste onderzoeksfase is geconcludeerd dat een milieueffectbeoordeling als bedoeld in richtlijn 2011/92 niet nodig was, op grond van de nationale regeling waarbij artikel 4, lid 3, van richtlijn 2011/92 is omgezet (voor zover dit bepaalt dat de lidstaten drempelwaarden of criteria kunnen vaststellen om te bepalen wanneer projecten niet hoeven te worden onderworpen aan het besluit op grond van artikel 4, leden 4 en 5, en evenmin aan een milieueffectbeoordeling) en waarvoor is vastgesteld dat een passende beoordeling als bedoeld in richtlijn 92/43 niet nodig was – dat in het nationale recht van een lidstaat wordt voorzien in een bevoegdheid – voor het geval dat de nationale autoriteiten een deelnemer aan het besluitvormingsproces niet binnen de termijn die naar nationaal recht voor een daarin vastgestelde wijze van kennisgeving geldt, in kennis stellen van een besluit – om de beroepstermijn te verlengen met de periode die nodig is ter compensatie van de verloren tijd tussen de datum waarop de verzoeker in kennis had moeten worden gesteld en de datum waarop hij in kennis is gesteld en/of op een andere wijze kennis heeft gekregen van het besluit?

3.    Staan artikel 41 en/of 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en/of artikel 6 en/of artikel 11 van richtlijn 2011/92, gelezen in het licht van het algemene Unierechtelijke beginsel van rechtszekerheid en/of artikel 6 en/of artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, dat namens de Europese Gemeenschap is gesloten bij besluit 2005/370 van de Raad – in het kader van een beroep (op grond van richtlijn 2011/92, richtlijn 92/43 van de Raad, richtlijn 79/409 en/of richtlijn 2008/50) tegen een vergunning voor een project waarvoor in de eerste onderzoeksfase is geconcludeerd dat een milieueffectbeoordeling als bedoeld in richtlijn 2011/92 niet nodig was, op grond van de nationale regeling waarbij artikel 4, lid 3, van richtlijn 2011/92 is omgezet (voor zover dit bepaalt dat de lidstaten drempelwaarden of criteria kunnen vaststellen om te bepalen wanneer projecten niet hoeven te worden onderworpen aan het besluit op grond van artikel 4, leden 4 en 5, en evenmin aan een milieueffectbeoordeling) en waarvoor is vastgesteld dat een passende beoordeling als bedoeld in richtlijn 92/43 niet nodig was – eraan in de weg dat een lidstaat bij nationaal recht de mogelijkheid van verlenging van de beroepstermijn uitsluit wanneer de verzoeker niet aantoont dat hij de procedure niet voor het aflopen van die termijn had kunnen instellen, ook al hebben de nationale autoriteiten een deelnemer aan het besluitvormingsproces niet binnen de termijn die naar nationaal recht voor een daarin vastgestelde wijze van kennisgeving geldt, in kennis gesteld van het besluit?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-406/08 Uniplex (UK); C-348/15 Stadt Wiener Neustadt; C-280/18.

Specifiek beleidsterrein: JenV; IenW