C-569/25 Alcker

Contentverzamelaar

C-569/25 Alcker

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     25 juni 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     11 augustus 2026

Trefwoorden: asielaanvraag, verblijfsvergunning, beginsel van non-refoulement, terugkeerrichtlijn

Onderwerp: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest): Artikelen 1 en 4; Richtlijn 2008/115 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Terugkeerrichtlijn): artikelen 5, 6, 9, en 14, en considerans; Richtlijn 2011/95 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming: Artikelen 17 en 19.  

Appellant 1 en 2 zijn derdelanders uit respectievelijk Afghanistan en Jemen die beide een aanvraag voor een verblijfsvergunning hebben ingediend. De Minister van Asiel en Migratie heeft beide aanvragen afgewezen en hen een terugkeerverplichting en inreisverbod opgelegd. Beide appellanten hebben tegen de afwijzingen beroep ingesteld, die vervolgens door de rechtbank Den Haag ongegrond zijn verklaard, omdat artikel 3 van de EVRM zich niet duurzaam tegen hun vertrek zou verzetten.  Tegelijkertijd staat vast dat beide appellanten, wegens het risico op schending van het beginsel van non-refoulement, niet terug naar hun land van herkomst kunnen worden verwijderd. Tegen deze beslissingen hebben appellanten hoger beroep ingesteld en stellen zij dat de Minister van Asiel en Migratie gebruik had moeten maken van haar bevoegdheid uit artikel 6, lid 4 van de Terugkeerrichtlijn om hun een verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot verblijf had moeten verlenen. De Minister van Asiel en Migratie voert aan dat het vervallen of ontbreken van het terugkeerbesluit of het inreisverbod, niet betekent dat zij automatisch een verblijfsrecht kunnen krijgen. Daardoor blijven appellanten zonder verblijfsrecht en  hebben zij slechts beperkte toegang tot elementaire voorzieningen. Dit roept bij de Raad van State de vraag op of het Unierecht zich verzet tegen een situatie waarin een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd terwijl verwijdering wegens het risico op schending van het non-refoulementbeginsel voor onbepaalde tijd onmogelijk is, en betrokkenen gedurende ten minste tien jaar slechts beperkt toegang hebben tot elementaire voorzieningen omdat zij geen verblijfsrecht verkrijgen. 

Prejudiciële vragen: 
1. Moet artikel 6 van richtlijn 2008/115/EG, gelezen in samenhang met artikelen 3, 5, 8 en 9, eerste lid, aanhef en onder a, van richtlijn 2008/115/EG, en gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 19, tweede en derde lid, aanhef en onder a, van richtlijn 2011/95/EU, aldus worden uitgelegd dat de lidstaat, behoudens de in artikel 6, tweede tot en met vijfde lid, van richtlijn 2008/115/EG genoemde uitzonderingen, verplicht is om jegens een derdelander die illegaal op zijn grondgebied verblijft en die is uitgesloten van subsidiaire bescherming, een terugkeerbesluit uit te vaardigen? En geldt daarbij de verplichting om gelijktijdig met het nemen van een terugkeerbesluit, schriftelijk te bevestigen dat de verwijdering van die derdelander wordt uitgesteld, indien deze in strijd is met het beginsel van non-refoulement (prejudiciële vraag van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 maart 2025, bij het Hof ingeschreven onder zaak C-202/25)?

2.  Moeten de artikelen 1, 4 en 7 van het EU Handvest, en de artikelen 5, 6, 9 en 14 van richtlijn 2008/115/EG, gelezen in samenhang met de uitleg van die bepalingen in de arresten AA, ECLI:EU:C:2023:540, en Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, aldus worden uitgelegd dat deze zich ertegen verzetten dat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd indien daarin onmiddellijk de verwijdering voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld vanwege het risico op schending van het non-refoulementbeginsel?

3. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de Afdeling van het Hof te vernemen of de artikelen 5, 9 en 14 van richtlijn 2008/115/EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling waarbij illegaal in Nederland verblijvende personen, die vanwege een risico op schending van het non-refoulementbeginsel in het land van herkomst voor onbepaalde tijd niet kunnen worden verwijderd en ook geen verblijfsrecht krijgen in Nederland, gedurende een periode van minstens tien jaar uitsluitend aanspraak kunnen maken op onderwijs, medisch noodzakelijke zorg of rechtsbijstand, terwijl onzeker is of zij na die periode wel in aanmerking komen voor een verblijfsrecht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-202/25; C-669/23. 

Specifiek beleidsterrein: AenM