C-581/10, Emeka Nelson en anderen tegen Deutsche Lufthansa AG, en C-629/10, TUI Travel plc en anderen tegen Civil Aviation Authority, arrest van 23 oktober in de gevoegde zaken

Contentverzamelaar

C-581/10, Emeka Nelson en anderen tegen Deutsche Lufthansa AG, en C-629/10, TUI Travel plc en anderen tegen Civil Aviation Authority, arrest van 23 oktober in de gevoegde zaken

Signaleringsfiche
Arrest van het Hof van 23 oktober 2012 in de gevoegde zaken C-581/10, Emeka Nelson en anderen tegen Deutsche Lufthansa AG, en C-629/10, TUI Travel plc en anderen tegen Civil Aviation Authority en arresten van het Hof van 4 oktober 2012 in zaak C-22/11, Finnair Oyj tegen Timy Lassooy en in zaak C-321/11, Germán Rodríguez Cachafeiro en María de los Reyes Martínez-Reboredo Varela-Villamor tegen Iberia, Líneas Aéreas de España SA.

Betrokken departementen: IenM, EZ

Sleutelwoorden
Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Artikelen 5 tot en met 7 – Verdrag van Montreal – Artikelen 19 en 29 – Recht op compensatie voor vertraagde vlucht – Verenigbaarheid - Compensatie voor luchtreizigers in geval van instapweigering – Begrip “instapweigering”

Beleidsrelevantie
In zijn uitspraak in de gevoegde zaken C-581/10 en C-629/10 bevestigt het Hof zijn rechtspraak dat passagiers van een vertraagde vlucht recht op forfaitaire compensatie hebben wanneer ze minstens drie uur na de geplande aankomsttijd hun eindbestemming bereiken, tenzij de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden. In de uitspraken in de zaken C-22/11 en C-321/11 verduidelijkt het Hof wanneer een passagier recht heeft op compensatie bij instapweigering.

Samenvatting van feiten, redenering en dictum
Zaak C-581/10 en zaak C-629/10 betreffen compensatie bij langdurig vertraagde vluchten (artikel 5 tot en met 7 van Verordening (EG) 261/2004- hierna ‘de Denied boarding verordening’). In zaak C-581/10 heeft de verwijzende rechter prejudiciële vragen gesteld in een geschil dat tussen passagiers en de luchtvaartmaatschappij Lufthansa is gerezen naar aanleiding van een vlucht die volgens het vluchtschema meer dan 24 uur vertraging had opgelopen. In zaak C-629/10 hebben TUI Travel, British Airways, easyJet Airline en International Air Transport Association (IATA) zich tot de (verwijzende) rechter gewend omdat de Civil Aviation Authority – de handhavende instantie in het VK - weigerde in te gaan op hun verzoek om hen geen verplichting tot compensatie voor passagiers van een vertraagde vlucht op te leggen. De Civil Aviation Authority had aangevoerd dat zij aan het eerdere arrest van het Hof in zaak C-402/07 en C-432/07 ) uit 2009 (hierna: ‘het Sturgeon-arrest’) gebonden was en de interpretatie van TUI Travel e.a. niet kon bevestigen.
In het arrest in de gevoegde zaken C-581/10 en C-629/10 bevestigt het Hof de uitleg van het Unierecht in het Sturgeon-arrest. In het Sturgeon-arrest heeft het Hof bepaald dat passagiers recht hebben op compensatie bij een vertraging van drie of meer uren bij aankomst, tenzij er sprake is van buitengewone omstandigheden. Het Hof vindt dat het gelijkheidsbeginsel ertoe dwingt passagiers van een vertraagde vlucht hetzelfde behandeld moeten worden als passagiers van een geannuleerde vlucht. De vertragingscompensatie is verenigbaar met het Verdrag van Montreal en valt buiten de werkingssfeer van dat Verdrag en de daarin opgenomen schadeloosstellingsregeling. Ook is de vertragingscompensatie verenigbaar met het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Compensatie behoeft immers alleen te worden gegeven als sprake is van een vertraging van drie uur of meer. Ook hoeft er geen compensatie te worden verstrekt indien sprake is van buitengewone omstandigheden. Tot slot stelt het Hof dat er geen reden is om geen terugwerkende kracht aan het arrest te verbinden.

In de zaken C-22/11 en C-321/11 gaat het om compensatie bij instapweigering. Passagiers hebben daar op grond van artikel 2, sub j, juncto artikel 3, tweede lid, van de Denied boarding verordening recht op. In zaak C-22/11 weigerde de luchtvaartmaatschappij passagiers aan boord wegens de reorganisatie van hun vlucht ten gevolge van een staking die zich twee dagen eerder op een luchthaven had voorgedaan. In zaak C-321/11 werden passagiers van uit opeenvolgende trajecten bestaande vluchten aan boord van de tweede vlucht geweigerd wegens vertraging van de eerste vlucht, die aan de luchtvaartmaatschappij te wijten was. Het Hof geeft aan dat de vergoeding voor instapweigering ook op die gevallen kan zien. Het Hof verduidelijkt dat de vergoeding voor instapweigering niet enkel ziet op gevallen van overboekingen, maar ook op gevallen die verband houden met andere, zoals operationele, redenen. Het Hof overweegt daarbij dat de vergoeding voor instapweigering geldt ongeacht of er sprake is van ‘buitengewone omstandigheden’.

Eerste inventarisatie van de mogelijke effecten voor het beleid en de rechtspraktijk op nationaal niveau
Van meet af aan hebben luchtvaartmaatschappijen zich tegen het Sturgeon-arrest verzet. In dat arrest heeft het Hof bepaald dat niet alleen passagiers van geannuleerde vluchten recht hebben op een forfaitaire compensatie maar ook passagiers die een vertraging van meer dan drie uur oplopen, die niet is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden. Het Hof benadrukt met deze uitspraak nogmaals dat dit niet in strijd is met het Verdrag van Montreal, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Dit geeft aan dat dit aanhoudende principiële verzet van de luchtvaartmaatschappijen geen resultaat heeft gehad. Het recht op compensatie geldt met terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de verordening (2005). De  handhavingslijn in Nederland zal ook in het kader van de nieuwe uitspraken in lijn blijven met de eisen die voortvloeien uit de Denied boarding verordening zoals uitgelegd door het Hof.  

Voorstel voor behandeling
De ICER zendt dit fiche en het arrest ter kennisneming aan de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken.

Klik op de dossiers van de arresten voor de volledige informatie C-581/10 en evenals C-629/10, C-22/11 en C-321/11