C-583/25 Kleczwiski  

Contentverzamelaar

C-583/25 Kleczwiski  

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     24 oktober 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     10 december 2025

Trefwoorden: onafhankelijkheid en onpartijdigheid rechters, daadwerkelijke rechtsbescherming

Onderwerp: VEU: artikel 2, artikel 6, leden 1 en 3, en artikel 19, lid 1; Handvest: artikel 47. 

De achtergrond van deze zaak betreft een strafzaak, waarbij A.B. een fiscaal delict ten laste werd gelegd. De zaak werd voor behandeling toegewezen aan rechter P.W. Hij vertrok naar een andere afdeling, waarna de voorzitter van de rechtbank besloot de zaken tussen de rechters te herverdelen via een systeem van loting. P.W. maakte bezwaar tegen deze herverdeling, omdat hij (na zijn vertrek) nog steeds strafzaken toegewezen kreeg. Het is diezelfde rechter die nu vragen stelt aan het Hof, met name of de samenstelling van zijn rechtsprekende formatie een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht is dat de daadwerkelijke rechtsbescherming waarborgt, en als dat niet zo is welke rechtsgevolgen daaruit voortvloeien.

Prejudiciële vragen: 
1) Moeten artikel 2, artikel 6, leden 1 en 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat een in eerste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie van een lidstaat van de Europese Unie geen onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht is dat daadwerkelijke rechtsbescherming verzekert wanneer deze rechterlijke instantie aldus is samengesteld dat daarin een alleensprekende rechter van deze rechterlijke instantie zitting heeft die voor de behandeling van de betreffende zaak is aangewezen onder kennelijke schending van de bepalingen van nationaal recht inzake de verdeling van taken, die de toewijzing van de rechters aan de afdelingen van de rechterlijke instantie, de omvang van de verantwoordelijkheden van de rechters en de wijze waarop zij deelnemen aan de toewijzing van zaken, vaststellen alsmede onder kennelijke schending van de bepalingen van nationaal recht inzake de toewijzing van zaken en de aanwijzing en wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formaties? 

2) Moeten artikel 2, artikel 6, leden 1 en 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van bepalingen van nationaal recht zoals artikel 55, lid 4, tweede volzin, van de ustawa – Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 (geconsolideerde tekst, Dz.U. van 2020, volgnr. 2072, zoals gewijzigd; hierna: „u.s.p.”), voor zover deze aan een rechterlijke instantie van tweede aanleg verbieden om op grond van artikel 439, lid 1, punt 2, van de ustawa – Kodeks postępowania karnego (wetboek van strafvordering) van 6 juni 1997 (geconsolideerde tekst, Dz.U. van 2022, volgnr. 1375, zoals gewijzigd; hierna: „k.p.k.”) vast te stellen dat de rechterlijke instantie in eerste aanleg in de voor die instantie aanhangige zaak onrechtmatig is samengesteld omdat deze rechterlijke instantie in strijd met de wet of onregelmatig is samengesteld of een persoon aan de beslissing heeft deelgenomen die daartoe niet bevoegd of bekwaam was, als juridische sanctie met het oog op het verzekeren van daadwerkelijke rechtsbescherming in het geval van de aanwijzing van een rechter voor de behandeling van een zaak in eerste aanleg onder kennelijke schending van de bepalingen van nationaal recht inzake de verdeling van taken, die de toewijzing van de rechters aan de afdelingen van de rechterlijke instantie, de omvang van de verantwoordelijkheden van de rechters en de wijze waarop zij deelnemen aan de toewijzing van zaken, vaststellen alsmede onder kennelijke schending van de bepalingen van nationaal recht inzake de toewijzing van zaken en de aanwijzing en wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formaties? 

3) Moeten artikel 2, artikel 6, leden 1 en 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van bepalingen van nationaal recht zoals artikel 22a, lid 5, u.s.p., voor zover een rechter overeenkomstig deze bepalingen zijn bezwaar tegen de wijziging van de taakverdeling alleen kan aantekenen bij de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen; hierna: „KRS”) die is samengesteld conform de ustawa o zmianie ustawy o KRS oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de wet betreffende de KRS en enkele andere wetten) van 8 december 2017 (Dz.U. van 2018, volgnr. 3; hierna: „wet van 8 december 2017”), waarbij de rechter niet de mogelijkheid heeft om een dergelijk bezwaar tegen de wijziging van de taakverdeling bij een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht aan te tekenen? 

4) Moeten artikel 2, artikel 6, leden 1 en 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie geen onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht is dat daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Europese Unie vallende gebieden verzekert wanneer deze rechterlijke instantie aldus is samengesteld dat daarin een alleensprekende rechter zitting heeft die door de president van deze rechterlijke instantie is overgeplaatst van een afdeling van deze rechterlijke instantie voor zaken die met de specialisatie van deze rechter overeenkomen, naar een afdeling van deze rechterlijke instantie voor zaken die niet met de specialisatie van deze rechter overeenkomen, hoewel deze rechter niet met deze overplaatsing heeft ingestemd en niet vooraf in de gelegenheid is gesteld om bezwaar tegen deze overplaatsing aan te tekenen bij een onpartijdig en onafhankelijk gerecht in een procedure die aan de vereisten van artikel 47 van het Handvest voldoet? 

5) Moeten artikel 2, artikel 6, leden 1 en 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat een in eerste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie van een lidstaat van de Europese Unie geen onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht is dat daadwerkelijke rechtsbescherming verzekert wanneer deze rechterlijke instantie aldus is samengesteld dat daarin een alleensprekende rechter van deze rechterlijke instantie zitting heeft die – in strijd met de nationale wettelijke bepalingen en beslissingen van het orgaan van de lidstaat dat volgens het nationaal recht bevoegd is om bezwaren van rechters tegen de wijzigingen van taakverdelingen te behandelen – bij besluit van de president van de rechterlijke instantie is verplicht om de zaak te behandelen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-542/18 RX-II en C-543/18 RX-II Heroverweging Simpson/Raad en HG/Commissie; C-422/23, C-455/23, C-459/23, C-486/23 en C-493/23 Daka e.a.; C-554/21, C-622/21 en C-727/21 Hann-Invest e.a.; C-647/21 en C-648/21 D.K. (Onttrekking van zaken aan een rechter); C-197/23 S. (Wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie).

Specifiek beleidsterrein: JenV
 

Gerelateerde documenten