C-669/25 Bujoian
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 19 december 2025 Schriftelijke opmerkingen: 5 februari 2026
Trefwoorden: onverenigbaarheidsregeling, evenredigheid sancties
Onderwerp: VEU: artikel 5; Handvest van de grondrechten EU: artikelen 47 en 49.
Een Roemeense ambtenaar ‘XX’ bekleedde de functie van hoofdinspecteur bij de gemeente. In 2020 deed hij mee aan de gemeenteraadsverkiezingen en werd daar verkozen tot gemeenteraadslid en tot locoburgemeester. Het Roemeense Agentschap voor Integriteit (ANI) stelde in een rapport vast dat XX had verzuimd om zijn ambtenarenfunctie op te schorten tijdens zijn verkiezingscampagne. Op grond van de Roemeense wet staat hier een standaardsanctie op van ontzetting uit de functie en een driejarig verbod op het bekleden van openbare functies. De Roemeense rechter vraagt naar de evenredigheid van deze sanctie (in de zin van artikel 5 VEU en artikelen 47 en 49 Handvest), en naar de mogelijkheid om het ANI-rapport nietig te verklaren wanneer het evenredigheidsbeginsel wordt geschonden.
Prejudiciële vragen: 1) Moet het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde evenredigheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan op inbreuken op de wettelijke regeling inzake onverenigbaarheden één enkele sanctieregeling wordt toegepast (bestaande uit de ontzetting uit het openbaar ambt en de aanvullende sanctie van een verbod om een openbare functie te vervullen of een openbaar ambt te bekleden waarop de bepalingen van wet nr. 176/2010 van toepassing zijn, met uitzondering van een gekozen ambt, gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van ontslag of ontzetting uit het ambt dan wel vanaf de datum waarop de ambtstermijn van rechtswege eindigt), zonder dat een sanctie kan worden opgelegd die evenredig is aan de ernst van het gepleegde feit?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten artikel 5 VEU en de artikelen 47 en 49 van het Handvest dan aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die de rechter niet de mogelijkheid biedt om een administratieve handeling waarbij de bevoegde nationale autoriteit een inbreuk op de wettelijke regeling inzake onverenigbaarheden heeft vastgesteld, maar geen sanctie heeft opgelegd, ongeldig (nietig) te verklaren?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: 28/62-30/62 Da Casta en Schaake NV e.a.; C-40/21 Agenția Națională de Integritate; C-205/20 Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking).
Specifiek beleidsterrein: BZK; JenV