C-670/25 Berakov  

Contentverzamelaar

C-670/25 Berakov  

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     22 december 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     8 februari 2026

Trefwoorden: betalingsbevelprocedure, onafhankelijkheid rechters, doeltreffende voorziening in rechte

Onderwerp: VEU: artikel 19, lid 1; Handvest van de grondrechten EU: artikelen 38 en 47; Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen: artikelen 4 en 7; Richtlijn 2008/48 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten: artikel 3, onder g), en artikel 19.

Verzoeker (een bank) en verweerder hebben samen een kredietovereenkomst gesloten. Verzoeker heeft uiteindelijk vanwege wanbetaling van verweerder bij de rechter gevraagd om de uitvaardiging van een betalingsbevel. Na het instellen van beroep heeft de rechter in tweede aanleg de zaak terugverwezen naar de verwijzende rechter met concrete instructies over de rechterlijke beslissing die genomen moet worden. De verwijzende rechter twijfelt over de toetsbaarheid van de gegeven instructies. Hij stelt vragen aan Hof over deze kwestie, over de berekening van het ‘jaarlijkse kostenpercentage’ als deel van het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ en over het (ambtshalve) toetsen van de oneerlijke bedingen in de overeenkomst.

Prejudiciële vragen: 

1. Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met de artikelen 38 en 47 van het Handvest van de grondrechten, en, in voorkomend geval, artikel 7 van richtlijn 93/13/EEG, aldus worden uitgelegd dat: deze in de weg staan aan een nationale regeling en nationale rechtspraak op grond waarvan een rechtsprekende formatie gehouden is om in een bij haar aanhangige zaak volgens instructies – waarbij niet duidelijk is of deze instructies de aan de instructies gebonden rechterlijke instantie al dan niet voorschrijven om de tenuitvoerlegging op grond van een onrechtmatige clausule te gelasten – in het nadeel van een consument te beslissen, zonder dat de lagere rechter een eigen afweging in de zaak mag maken, ook wanneer deze instructies worden gegeven zonder dat wordt gemotiveerd waarom het oordeel van de rechter in eerste aanleg over de toepassing van het Unierecht in het licht van alle door die rechter in eerste aanleg gemaakte afwegingen onjuist was? 

2. Moet artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten aldus worden uitgelegd dat: het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” in gevallen waarin de consumentenkredietovereenkomst het bedrag van de kredietrente afhankelijk stelt van de sluiting en nakoming van een gezamenlijk aanbod met de kredietgever of met door hem aangewezen andere personen (zogenoemde tying), de kosten van deze aanvullende overeenkomsten omvat en moeten deze in aanmerking worden genomen bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage van het krediet? 

3. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 19, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat: het in de weg staat aan nationale rechtspraak volgens welke de kosten voor andere aan de kredietovereenkomst gekoppelde overeenkomsten niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage van het krediet, omdat zij niet vooraf zijn vastgesteld en kunnen worden gewijzigd dan wel afhankelijk zijn van de niet-nakoming door de consument waardoor de rentevoet wordt verhoogd? Indien het artikel in de weg staat aan een dergelijke rechtspraak: op basis van welke criteria moeten deze kosten bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage in aanmerking worden genomen en moet, indien de rechter het verwachte bedrag vanwege de beperkingen van de eenzijdige procedure niet kan vaststellen, worden aangenomen dat het werkelijke jaarlijkse kostenpercentage moet worden berekend op basis van de rentekosten die zonder korting over het krediet verschuldigd zouden zijn? 

4. Moeten artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en punt 1, onder o), van de bijlage bij die richtlijn aldus worden uitgelegd dat deze in de weg staan aan nationale rechtspraak volgens welke de beperking van het recht van de consument om zelf een aanbieder van bank- en verzekeringsdiensten te kiezen, – met het risico dat hij op grond van de kredietovereenkomst met de handelaar wordt geconfronteerd met een verhoging van de rentevoet –, geen criterium kan vormen voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding omdat dit in strijd is met de goede trouw bij handelstransacties –, of aldus dat bij die beoordeling rekening moet worden gehouden met het belang van de bank om de kredietwaardigheid van haar schuldenaren te waarborgen? 

5. Moet artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat een beding in een consumentenovereenkomst dat de consument verplicht om zijn loon uit arbeid, nadat hij dit heeft ontvangen, naar een bepaalde bankrekening over te maken, gelet op de normen voor arbeidsbescherming en de in het nationale recht geldende normen inzake de bescherming van loon uit arbeid en de wijze van betaling ervan altijd oneerlijk is, indien dit tot een verhoging van de contractuele kosten voor de consument leidt, of moet het oneerlijke karakter van dat beding worden beoordeeld en, indien ja, aan de hand van welke criteria?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-173/09; C-714/22 Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst); C-261/07 en C-299/07 VTB-VAB en Galatea; C-453/10; C-109/17 Bankia.

Specifiek beleidsterrein: EZ; JenV