C-691/25 Laegernes Pension
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 30 december 2025 Schriftelijke opmerkingen: 16 februari 2026
Trefwoorden: gelijke behandeling, pensioen
Onderwerp: Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep: artikel 9, lid 1, onder h; VWEU: artikel 157.
Vijf vrouwelijke artsen, tevens verzoeksters, zijn deelnemer van het horizontaal pensioenfonds van verweerder Lægernes Pension. Hun pensioenregeling is gebaseerd op een naar geslacht uitgesplitste grondslag, die rekening houdt met een aantal seksespecifieke factoren. Omdat vrouwen een hogere levensverwachting hebben dan mannen, is het jaarlijkse ouderdomspensioen dat verweerder uitkeert voor vrouwen die van het weduwen-/weduwnaarpensioen afzien, lager dan voor mannen. Verweersters voeren aan dat het pensioenreglement in strijd is met de nationale wetgeving inzake gelijke behandeling waarin artikel 9, lid 1, onder h) van richtlijn 2006/64 is omgezet, en daardoor ongeldig is. Subsidiair betogen zij dat de genoemde bepaling alleen ruimte biedt voor een seksespecifieke berekeningsgrondslag waar dat noodzakelijk is. Verzoeksters beroepen zich hierbij op artikel 157 VWEU, waarbij de vraag rijst of de premies die zijn gestort in een beroepspensioenregeling met vaststaande bijdragen, een beloning in de zin van dat artikel is.
Prejudiciële vragen: 1) Is het eerste deel van artikel 9, lid 1, onder h), van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep – op grond waarvan uiteenlopende niveaus voor prestaties niet in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling voor zover nodig om rekening te houden met naar geslacht verschillende actuariële berekeningsfactoren bij regelingen met vaststaande bijdragen – in strijd met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen en daarmee ongeldig, en zo ja, vanaf welke datum?
2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet het eerste deel van artikel 9, lid 1, onder h), van richtlijn 2006/54 dan aldus worden uitgelegd dat die bepaling zich verzet tegen een bedrijfspensioenregeling met vaststaande bijdragen als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin de uitkeringen voor deelnemers die vóór 1 juli 1999 tot de pensioenregeling zijn toegelaten, worden berekend op een naar geslacht uitgesplitste grondslag?
3) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vormen pensioenuitkeringen die worden betaald op grond van een bedrijfspensioenregeling met vaststaande bijdragen als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, dan een beloning in de zin van artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-262/88; C-152/91; C-200/91 Color-oll; C-236/09 TestAchats; C-318/13 X. Specifiek beleidsterrein: SZW