C-738/25 Rodalmann
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 2 januari 2026 Schriftelijke opmerkingen: 19 februari 2026
Trefwoorden: vrijheid van vestiging, vrijstelling van belastingen, houdstermaatschappij, economische activiteit
Onderwerp: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU): Artikelen 49 en 54.
C SE is een Duitse houdstermaatschappij en houder van aandelen in A GmbH. A GmbH is een stille vennoot in B S.à.r.L., een Luxemburgse entiteit met een reële economische activiteit met personeel en kantoorruimte. Zonder dat C SE de mogelijkheid kreeg om aan te tonen dat de buitenlandse vestiging daadwerkelijk een economische activiteit ontplooide, heeft de Duitse belastingautoriteit de buitenlandse belasting over de buitenlandse inkomsten verrekend met de binnenlandse belasting, in plaats van dat de inkomsten vrijgesteld werden van binnenlandse belasting. C SE is het hier niet mee eens en tekent bezwaar aan bij de verwijzende rechter. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de nationale regeling, die geen bewijs van daadwerkelijke economische activiteit toestaat voor buitenlandse vaste inrichtingen, maar wel voor vergelijkbare buitenlandse kapitaalvennootschappen, in strijd is met de vrijheid van vestiging binnen de EU.
Prejudiciële vraag: Moet artikel 43 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: „EG”; thans artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; hierna: „VWEU”) aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als § 20, lid 2, van het Außensteuergesetz (wet inzake belastingheffing in situaties die aanknopingspunten met het buitenland bevatten; hierna: „AStG”), die ter voorkoming van dubbele belasting in plaats van de in de belastingverdragen voorziene vrijstellingsmethode voor bepaalde inkomsten uit een buitenlandse vaste inrichting eenzijdig voorziet in de verrekeningsmethode, zonder dat de belastingplichtige de mogelijkheid krijgt om het bewijs te leveren dat hij met de vaste inrichting daadwerkelijk in de lidstaat van ontvangst is gevestigd en daar reële economische activiteiten uitoefent, maar deze mogelijkheid wel bestaat in de economisch en fiscaal vergelijkbare situatie van een buitenlandse kapitaalvennootschap?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-196/04, Cadbury Schweppes; C-298/05, Columbus Container Services; C-276/22, Edil Work 2 en S.T.; C-442/02, CaixaBank France; k C-106/16, Polbud Wykonawstwo sp. z o.o.
Specifiek beleidsterrein: FIN-Fiscaal