C-761/25 Sotsialno podpomagane – Varna
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 18 februari 2026 Schriftelijke opmerkingen: 4 april 2026
Trefwoorden: sociale bijstand, kindertoeslag, discriminatie, tijdelijke bescherming, onderwijs
Onderwerp: Richtlijn 2001/55 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming [..]: artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2, artikel 14, lid 1; Handvest: artikelen 14, 21, 24 en 34.
Verzoekster is ‘Yu. M.’, geboren in Oekraïne en verblijvend in Bulgarije onder tijdelijke bescherming. Zij heeft een minderjarige dochter ‘E.M.’. Verzoekster heeft een eenmalige gezinsondersteunende toeslag aangevraagd, welke werd afgewezen. Verweerster stelt dat Bulgarije niet gebonden is via een andere wet of een internationaal verdrag om verzoekster te voorzien in dergelijke toeslagen. De Bulgaarse rechter twijfelt of het Unierecht niet zo moet worden uitgelegd dat deze toeslag ook geldt voor de gezinnen van personen onder de 18 jaar die toegang hebben tot het onderwijsstelsel en tijdelijke bescherming genieten.
Prejudiciële vragen: 1. Moeten artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2001/55/EG, gelezen in samenhang met overweging 16 en het doel van de richtlijn, zoals uiteengezet in artikel 1 ervan, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat die personen jonger dan 18 jaar die tijdelijke bescherming genieten, toegang verleent tot zijn onderwijsstelsel, verplicht is om ervoor te zorgen dat hun gezinnen ook in aanmerking komen voor de eenmalige gezinsondersteunende toeslag voor kinderen, met inbegrip van de toeslag zoals genoemd in artikel 10b, lid 1, Zakon za semeynite pomoshti za detsa (Bulgaarse wet inzake gezinsondersteunende toeslagen voor kinderen; hierna: „ZSPD”), die bedoeld is om te bevorderen dat het volgen van onderwijs wordt voortgezet, ook al voorziet noch een andere wet noch een internationaal verdrag uitdrukkelijk in een dergelijk recht?
2. Moeten artikel 21, leden 1 en 2, artikel 24, leden 1 en 2, en artikel 34, leden 1 en 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2001/55/EG, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die van artikel 3, punt 5, ZSPD, die het recht op een gezinsondersteunende toeslag voor kinderen als bedoeld in artikel 10b, lid 1, ZSPD beperkt voor derdelanders die tijdelijke bescherming genieten, wanneer noch een andere wet noch een internationaal verdrag dat de Republiek Bulgarije als verdragsluitende staat bindt, in een dergelijke toeslag voorziet?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-635/17 E.
Specifiek beleidsterrein: SZW; OCW; AenM