C-776/25 AVG Altersvorsorge

Contentverzamelaar

C-776/25 AVG Altersvorsorge

Prejudiciële hofzaak  

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     11 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     28 maart 2026

Trefwoorden: consumentenrecht, herroepingsrecht, liquidatie, coöperatie, vennootschapsrecht 
Onderwerp: Richtlijn 2002/65/EG betreffende verkoop op afstand van financiële diensten: Artikel 7, lid 4, eerste volzin. 

In 2015 is verzoeker door middel van een toetredingsformulier en het betalen van deelnemingen lid geworden van de coöperatie AVG Altersvorsorge Genossenschaft eG i.L. In het toetredingsformulier was een herroepingsinstructie opgenomen die de consument het recht gaf om de toetredingsverklaring binnen twee weken zonder opgave van redenen te herroepen. In 2018 is de coöperatie geliquideerd. In 2021 heeft verzoeker zijn toetredingsverklaring herroepen en in rechte vaststelling gevorderd van zijn recht op terugbetaling van zijn inleg, vermeerderd met een bedrag dat overeenkomt met de waarde van zijn deelneming op het moment van uittreding. De rechtbank in eerste aanleg heeft deze vordering afgewezen, waarna verzoeker hoger beroep heeft ingesteld. In hoger beroep is de vordering toegewezen. De coöperatie is het hiermee niet eens en heeft bij de verwijzende rechter cassatie ingesteld. De verwijzende rechter vraagt het Hof of het Europees consumentenrecht zich verzet tegen een nationale regeling of rechtspraak volgens welke de herroeping van het lidmaatschap bij liquidatie niet leidt tot volledige terugbetaling van de oorspronkelijke inleg, maar tot een bedrag dat kan variëren afhankelijk van de economische situatie van de coöperatie.

Prejudiciële vraag: 
1. Verzet artikel 7, lid 4, eerste volzin, van richtlijn 2002/65/EG zich onder de in het geding relevante omstandigheden tegen een nationale regeling op grond waarvan de herroeping van het lidmaatschap van een coöperatie bij liquidatie ervan is uitgesloten en de consument wordt onderworpen aan de nationale wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de liquidatie van de coöperatie? 
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: 
2. Staat artikel 7, lid 4, eerste volzin, van richtlijn 2002/65 in de weg aan een nationaal, op rechtspraak gebaseerd rechtsgevolg, waarbij de herroeping van het lidmaatschap van een consument van een coöperatie ertoe leidt dat de herroepende consument een op het tijdstip waarop de herroeping van kracht wordt berekende vordering op de coöperatie krijgt ten bedrage van de waarde van zijn coöperatieve deelneming op het tijdstip van uittreding, die vanwege de economische ontwikkeling van de coöperatie lager kan zijn dan de waarde van zijn inleg? 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-561/19 Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi; C-215/08 Friz; C-106/89 Marleasing; C-639/18 Südholstein; C-38/21, C-47/21 en C-232/21 BMW Bank e.a.; C-282/04 en C-283/04 Commissie/Nederland; C-120/78 Rewe-Zentral. 

Specifiek beleidsterrein: EZ; FIN; JenV