C-793/25 Kedrion  

Contentverzamelaar

C-793/25 Kedrion  

Prejudiciële hofzaak


Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     12 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     29 maart 2026

Trefwoorden: mededinging, kwalificatie onderling afgestemd feitelijke gedragingen 
Onderwerp: VWEU: artikel 101; Handvest: artikel 48.

In deze zaak wordt verzoeker, een onderneming, door de nationale mededingingsautoriteit verweten in samenwerking met de Vereniging van producenten van plasmaproteïnetherapieën concurrentieverstorend gedrag te hebben vertoond, door de levering van immunoglobuline op de Roemeense markt stop te zetten om zo druk uit te oefenen op de afschaffing van een bepaalde belasting. Volgens verzoeker heeft de mededingingsautoriteit belangrijk bewijs niet in beschouwing genomen (waaruit zou blijken dat de aftreding van de markt een puur economische keuze was), en niet aangetoond dat er sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen. De Roemeense rechter vraagt het Hof om uitleg van die kwalificatie uit artikel 101 VWEU.

Prejudiciële vragen: 
Kan artikel 101 VWEU aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op vermeende gedragingen die zijn verricht in een context waarin er geen onzekerheid op de markt bestaat, en dat het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging geen betrekking heeft op correspondentie binnen een beroepsvereniging over een bijkomende belastingplicht voor de bedrijfstak waartoe de leden van de vereniging behoren, wanneer deze correspondentie, die ziet op de bekende gevolgen van de belastingplicht, niet kan worden geacht de mate van onzekerheid die eigen is aan de normale concurrentiesituatie, te verminderen? 

Kunnen artikel 101 VWEU, de rechten van de verdediging en het beginsel van het vermoeden van onschuld, zoals verankerd in artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een mededingingsautoriteit, om naar behoren aan de bewijslast te voldoen, verplicht is de twijfel over het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging uitdrukkelijk, gemotiveerd en aantoonbaar weg te nemen wanneer een van de leden van de beroepsvereniging aantoont dat er een alternatieve verklaring bestaat voor het uit de handel nemen van zijn producten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-495/03 Intermodal Transports.

Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten