C-797/25 Wojewoda Dolnoslaski
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 10 februari 2026 Schriftelijke opmerkingen: 27 maart 2026
Trefwoorden: tijdelijke bescherming, beginsel van behoorlijk bestuur, termijnoverschrijding, evenredigheidsbeginsel Onderwerp: Handvest: artikel 41, lid 1 en artikel 52, lid 1; VEU: artikel 6, lid 1; VWEU: artikel 3, lid 2 en artikelen 78 en 79; Uitvoeringsbesluit 2022/382 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne; Richtlijn 2024/1233 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen [..].
In 2024 heeft verzoeker ‘O.T’, een Oekraïens onderdaan, een aanvraag ingediend voor een tijdelijke verblijfs- en werkvergunning in Polen. De nationale wetgever heeft echter de termijnen voor afdoening van procedures inzake de verlening van tijdelijke verblijfsvergunningen aan vreemdelingen opgeschort, en daarmee ook de mogelijkheid om in dat verband beroep in te stellen wegens nalatigheid van de autoriteiten. De Poolse rechter vraagt het Hof om uitleg van het Unierecht voor zover het een individu het recht toekent op behandeling van zijn aanvraag tot regularisatie van verblijf binnen een redelijke termijn, mede in het licht van de beginselen van evenredigheid, loyaliteit en doeltreffendheid.
Prejudiciële vraag: Moeten de volgende verdragsbeginselen: a) het evenredigheidsbeginsel [artikel 52, lid 1, juncto artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB 2007, C 303, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (PB 2016, C 202, blz. 13) (VEU), b) het beginsel van loyale samenwerking en het doeltreffendheidsbeginsel (artikel 4, lid 3, VEU), c) het recht op behoorlijk bestuur, dat onder meer het recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn omvat (dat als een beginsel van de Unie wordt beschouwd – artikel 41, lid 1, juncto artikel 51, lid 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; artikel 6, lid 1, VEU – en volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie), aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de mogelijkheid tot tijdelijke opschorting van de in het nationaal recht vastgestelde termijnen voor de afronding van een bestuursrechtelijke procedure en de verlening van een tijdelijke verblijfs-en werkvergunning aan een Oekraïens onderdaan die legaal in een lidstaat verblijft in het kader van de tijdelijke bescherming op grond van uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan (PB 2022, L 71, blz. 1), alsmede artikel 3, lid 2, onder f), van richtlijn (EU) 2024/1233 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (herschikking) (PB L, 2024/1233)?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-112/00; C-84/94 Verenigd Koninkrijk/Raad; C-33/76 Rewe/Landwirtschaftskammer Saarland.
Specifiek beleidsterrein: AenM; JenV