C-800/25 Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur  

Contentverzamelaar

C-800/25 Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur  

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     10 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     27 maart 2026

Trefwoorden: voederveiligheidsvoorschriften, diervoerdergrondstoffen, niet-toegelaten farmacologisch stof, niet-nakoming meldingsplicht

Onderwerp: Verordening 2019/1781 tot vaststelling van eisen inzake ecologisch ontwerp voor elektromotoren en snelheidsvariatoren overeenkomstig Richtlijn 2009/125 betreffende eisen inzake ecologisch ontwerp voor stand-alone natloper-circulatiepompen en in producten ingebouwde natloper-circulatiepompen: Artikel 20, lid 1 en/of lid 3. 

DO BV fabriceert voeding voor kalveren, waarvan de samenstelling hoofdzakelijk uit weipoeder bestaat. In een partij weipoeder werden residuen van het onder het Unierecht verboden chlooramfenicol vastgesteld, maar DO BV ontdekte dit pas nadat het product al verwerkt, geleverd en gevoederd was. Een distributeur meldde deze bevindingen aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA), waarna de minister van LVVN een boete aan DO BV heeft opgelegd wegens het niet naleven van de meldplicht. DO BV voerde aan dat de gemeten concentratie onder de Unierechtelijke actiedrempel lag en daarom geen melding nodig was. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat elke aanwezigheid van chlooramfenicol, ongeacht concentratie, gemeld moet worden. DO BV is het hier niet mee eens en is bij de verwijzende rechter in cassatie gegaan. De verwijzende rechter vraagt het Hof of diervoerdergrondstoffen met residuen van de niet-toegelaten farmacologisch stof geacht moeten worden niet aan de voederveiligheidsvoorschriften te voldoen. 

Prejudiciële vraag: 
Worden zuivelproducten die als grondstof voor diervoeders zijn bestemd en waarin residuen van chlooramfenicol zijn aangetroffen, geacht niet aan de voederveiligheidsvoorschriften te voldoen in de zin van artikel 20, eerste lid en/of derde lid, van Verordening 178/2002? Op grond van welke bepaling(en) worden deze dan geacht niet te voldoen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: - 

Specifiek beleidsterrein: LVVN