C-804/25 Autorite de protection des donnees
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 17 maart 2026 Schriftelijke opmerkingen: 3 mei 2026
Trefwoorden: persoonsgegevens, AVG, gegevensbeschermingseffectbeoordeling, FACTA-akkoord
Onderwerp: Richtlijn 95/46 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens: Artikelen 6, 25 en 26; Verordening 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens: Artikelen 5, 12, lid 1, 14, leden 1 en 2, 24, 35, lid 1, 45, lid 3, 46, leden 1 en 2, onder a, 55, 56 en 96; Uitvoeringsbesluit 2023/1795 van de Commissie van 10 juli 2023 inzake het passende niveau van bescherming van persoonsgegevens krachtens het EU-VS-kader voor gegevensbescherming; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: artikelen 7, 8 en 52.
Een Amerikaan (hierna: JC) en de Belgische vereniging "Accidental Americans Association of Belgium" hebben een klacht tegen de Belgische staat ingediend bij de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit over de doorgifte van persoonsgegevens aan de Amerikaanse belastingdienst (IRS) krachtens het FATCA-akkoord. De Gegevensbeschermingsautoriteit stelde vast dat er meerdere schendingen van de AVG waren, waaronder het ontbreken van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling en onvoldoende informatievoorziening aan betrokkenen, en legde een nalevingsbevel op. De Belgische staat heeft tegen het besluit van de Gegevensbeschermingsautoriteit beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. De verwijzende rechter vraagt het Hof om uitleg van het Unierecht teneinde te kunnen beoordelen of het FATCA-akkoord verenigbaar is met richtlijn 95/46/EG, de AVG en de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest.
Prejudiciële vragen:
1. Is een door een lidstaat vóór 24 mei 2016 gesloten internationale overeenkomst betreffende de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen in het licht van artikel 96 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (AVG) in overeenstemming met het vóór die datum toepasselijke Unierecht, en meer in het bijzonder met artikel 6, lid 1, onder b), c) en e), van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, in voorkomend geval gelezen in samenhang met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten, voor zover deze overeenkomst erin voorziet om, voor belastingdoeleinden en met het oog op de naleving van internationale belastingregels en de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Amerikaanse „FATCA”-wetgeving ter bestrijding van belastingontwijking door Amerikaanse staatsburgers, automatisch en met inachtneming van de vertrouwelijkheidsregels aan dat derde land inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de rekeningen van alle staatsburgers daarvan (inlichtingen die in de praktijk onder meer de naam, het adres, het door de staat van verblijf aan de rekeninghouder toegekende fiscaal identificatienummer (TIN), de geboortedatum, het rekeningnummer, het saldo of de waarde van de rekening op het einde van het desbetreffende kalenderjaar of van een andere passende rapporteringsperiode en bepaalde gegevens in het geval van een effectenrekening, een depositorekening of een ander type rekening omvatten), zonder voorafgaande selectie van rekeningen die een risico op belastingontduiking inhouden, zonder beperking in de tijd van de in deze overeenkomst vastgestelde bewaring van de gegevens en waarbij de toepassing van het in bijlage I vastgestelde maximumbedrag van 50 000 USD afhangt van de welwillendheid van de financiële instellingen?
2. Kan een dergelijke overeenkomst worden gerechtvaardigd op grond van artikel 26, lid 1, onder d), van richtlijn 95/46/EG indien het betrokken derde land geen daadwerkelijke wederkerigheid garandeert?
3. Moet artikel 26, lid 2, van voornoemde richtlijn 95/46/EG, gelezen in samenhang met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten, aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde voldoende waarborgen: – met name betrekking hebben op de vermelding van de bewaringsduur van de gegevens in de zin van in artikel 6, lid 1, onder e), van deze richtlijn en op de in de artikelen 11 en 12 ervan bedoelde rechten op informatie? – een omschrijving bevatten van de omvang van de beperking van het recht op eerbiediging van het privéleven en van het recht op bescherming van persoonsgegevens? – in het geval van een overeenkomst die in de doorgifte van persoonsgegevens voorziet, uitdrukkelijk in die overeenkomst moeten worden opgenomen?
4. Indien deze derde vraag geheel of gedeeltelijk bevestigend wordt beantwoord, is een door een lidstaat vóór 24 mei 2016 gesloten internationale overeenkomst betreffende de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen in het licht van artikel 96 AVG in overeenstemming met het vóór die datum toepasselijke Unierecht, en meer in het bijzonder met artikel 26, lid 2, van voornoemde richtlijn 95/46/EG, in voorkomend geval gelezen in samenhang met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten, wanneer deze overeenkomst niet uitdrukkelijk voorziet in de door deze bepaling geboden voldoende waarborgen?
5. Indien de eerste en/of de tweede en/of de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de krachtens deze overeenkomst verrichte doorgifte van persoonsgegevens desalniettemin met ingang van 24 mei 2024 plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen van de AVG met betrekking tot aangelegenheden die niet specifiek door deze overeenkomst worden bestreken of daarvan zijn uitgesloten, waaronder met name de artikelen 5, lid 2, 12, 14, 24 en 35 van deze verordening?
6. Rust de bewijslast met betrekking tot de voorwaarden van artikel 96 AVG op de verwerkingsverantwoordelijke?
7. a. Moet artikel 96 AVG, afzonderlijk beschouwd of gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 351 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten, aldus worden uitgelegd dat de lidstaten zich tot het uiterste moeten inspannen om de internationale overeenkomsten waarbij zij partij zijn en die in strijd zijn met de bepalingen van deze verordening, te wijzigen, te vervangen of in te trekken? b. Kan een lidstaat die zich in 2025 niet tot het uiterste heeft ingespannen om een internationale overeenkomst waarbij hij partij is en die in strijd is met de bepalingen van de AVG, te wijzigen, te vervangen of in te trekken, zich beroepen op artikel 96 van deze verordening ter rechtvaardiging van een handelwijze die onverenigbaar is met die verordening?
8. Indien de eerste, de tweede of de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord: a. Moet de nationale rechter een dergelijke overeenkomst ambtshalve buiten toepassing laten? b. Moet de nationale rechter een dergelijke overeenkomst toetsen op verenigbaarheid met de AVG?
9. Indien de eerste, de tweede of de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord en de achtste vraag, onder b, bevestigend wordt beantwoord, is een internationale overeenkomst zoals omschreven in de eerste vraag in overeenstemming met de AVG, en meer in het bijzonder met artikel 5, lid 1, onder b) en c), ervan, in voorkomend geval gelezen in samenhang met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten?
10. Moet uitvoeringsbesluit (EU) 2023/1795 van de Commissie van 10 juli 2023 overeenkomstig verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad inzake het passende niveau van bescherming van persoonsgegevens krachtens het EU-VS-kader voor gegevensbescherming worden aangemerkt als een adequaatsheidsbesluit in de zin van artikel 45, lid 3, AVG met betrekking tot de betwiste doorgiften van gegevens voor belastingdoeleinden?
11. Indien de eerste, de tweede of de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord en de achtste vraag, onder b, bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 46 AVG dan aldus worden uitgelegd dat: – de daarin genoemde passende waarborgen betrekking hebben op alle of een deel van de volgende waarborgen: (1) de definities van basisbegrippen (daaronder begrepen de volgende begrippen: „persoonsgegevens”, „verwerking van persoonsgegevens”, „verwerkingsverantwoordelijke”, „verwerker”, „ontvanger” en „gevoelige gegevens”; (2) de basisbeginselen op het gebied van gegevensbescherming (daaronder begrepen de beginselen van „doelbinding”, „juistheid en minimale gegevensverwerking” (of evenredigheid) en „opslagbeperking”; (3) de rechten van betrokkenen (namelijk het recht op informatie, het recht op inzage, het recht op rectificatie, het recht op wissing, het recht op beperking van de verwerking of het recht van bezwaar, het recht niet te worden onderworpen aan een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit in de zin van artikel 22 AVG, alsook de wijze van uitoefening van deze rechten); (4) de beperking van de verdere doorgifte en uitwisseling van gegevens; (5) doeltreffende voorzieningen in rechte; (6) controlemechanismen, en (7) het verantwoordingsbeginsel? – moeten deze waarborgen uitdrukkelijk zijn opgenomen in het juridisch bindende instrument in de zin van artikel 46, lid 2, onder a), van de AVG? – wordt dit juridisch bindende instrument bij het bestaan van een overeenkomst betreffende de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen uitsluitend gevormd door deze overeenkomst of kan het ook het nationale instrument ter omzetting daarvan omvatten?
12. Indien de eerste, de tweede of de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord en de achtste vraag, onder b, bevestigend wordt beantwoord: a. Moet artikel 49, lid 1, onder d), AVG aldus worden uitgelegd dat het al dan niet in de weg staat aan een internationale overeenkomst betreffende de doorgifte van persoonsgegevens aan een derde land, die voor belastingdoeleinden voorziet in de automatische doorgifte aan dat derde land van financiële inlichtingen over alle staatsburgers van dat land (zoals nader omschreven in de eerste vraag)? b. Is de mate van wederkerigheid van de uitwisseling van gegevens een relevant criterium voor de beantwoording van deze vraag?
13. Indien de eerste, de tweede of de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord en de achtste vraag, onder b, bevestigend wordt beantwoord: a. Kan de „informatie” waarvoor de in artikel 14, lid 5, onder a), AVG bedoelde vrijstelling van de informatieplicht geldt, zijn verstrekt door de verwerkingsverantwoordelijken die de persoonsgegevens rechtstreeks bij de betrokkene hebben verzameld? b. Zo ja, op wie rust dan de bewijslast dat de informatie is verstrekt, met name rekening houdend met artikel 5, lid 1, onder a), en artikel 5, lid 2, AVG?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-293/12 en C-594/12 Digital Rights Ireland e.a.; C-175/20 Valsts ieņēmumu dienests (Verwerking van persoonsgegevens voor belastingdoeleinden).
Specifiek beleidsterrein: JenV; FIN-Fiscaal