C-845/25 Aradis 

Contentverzamelaar

C-845/25 Aradis 

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     27 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     13 april 2026

Trefwoorden: strafmaat, evenredigheidsbeginsel, levensmiddelen

Onderwerp: Verordening 396/2005 [maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong]: artikel 34; Handvest: artikel 49, lid 3. 

Verzoeker is een verdachte in het hoofdgeding, namelijk van het produceren van plantaardige producten die residuen van bestrijdingsmiddelen bevatten in gehaltes die de maximale toegestane grens van verordening 396/2005 overschrijden. Volgens de verwijzende rechter gaat het om een minieme overschrijding, ‘zo niet in wezen onbeduidend en verwaarloosbaar’. Op grond van het nationaal recht staat er echter een minimale gevangenisstraf van zes maanden op dit delict. De Griekse rechter vraagt of deze nationale bepaling in strijd is met het Unierecht, omdat het onevenredig is in deze situatie en er geen mogelijkheid wordt geboden om rekening te houden met bijzondere feitelijke omstandigheden. 

Prejudiciële vraag: 
Dient artikel 34 van verordening nr. 396/2005, in samenhang met artikel 49, lid 3, van het Handvest, aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling die voorziet in een vrijheidsstraf van ten minste zes (6) maanden voor het produceren, in- of uitvoeren van plantaardige producten met een gehalte aan bestrijdingsmiddelenresiduen dat de bij die verordening maximaal toegestane waarden overschrijdt, zelfs wanneer de overschrijding van gering of verwaarloosbaar belang is en er geen gevaar voor levensmiddelen wordt vastgesteld, zonder de nationale rechter de mogelijkheid te bieden om, gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak, met name de ernst van het strafbaar feit, de werkelijke of potentiële schade of het in gevaar brengen van het beschermde rechtsgoed, een lichtere sanctie op te leggen of de straf kwijt te schelden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C 655/21 G. ST. T. (Evenredigheid van straf bij inbreuk op een merkenrecht); C 717/22 en C 372/23 Sistem Lux; C 733/23 Beach and bar management; C 151/20 Nordzucker e.a.

Specifiek beleidsterrein: JenV; LVVN

Gerelateerde documenten