C-846/25 Ligue des droits humains 

Contentverzamelaar

C-846/25 Ligue des droits humains 

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     18 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     4 april 2026

Trefwoorden: grondrechten, recht op privacy, nauwkeurige omschrijving wetgeving, ETIAS-verordening. 

Onderwerp: Verordening (EU) 2018/1240 tot oprichting van een Europeesreisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias): Artikel 3, lid 1, punt 6; Handvest van de Europese Unie: artikelen 7 en 8; Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (AVG-verordening): artikel 5, lid 1, b. 

Ligue des droits humains (hierna: verzoeker) heeft in 2024 een beroep ingesteld bij het Grondwettelijke Hof tot vernietiging van een wet betreffende de oprichting en organisatie van de opdrachten van ETIAS Nationale Eenheid (hierna: E.N.E). De wet regelt onder meer de verwerking van persoonsgegevens in het kader van reisautorisaties binnen de EU, risicobeoordelingen, het gebruik van het ETIAS-informatiesysteem, en de procedures rond het intrekken en annuleren van reisautorisaties. Verzoeker stelt dat de combinatie van het beheren van veiligheidsrisico's en het beheer van de grenzen leidt tot een strafbaarstelling van migratie, wat een onevenredige inbreuk op de grondrechten (zoals het recht op privacy en gegevensbescherming) inhoudt. Volgens verzoeker zou artikel 3, lid 1, punt 6, van de ETIAS-verordening een te ruime en onvoldoende nauwkeurige definitie van "veiligheidsrisico" geven. De Ministerraad verdedigt de wet en stelt dat het kritiek gericht is tegen de bewoording van de ETIAS-verordening zelf, waarover het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is te oordelen, en dat de wet voldoende waarborgen en regelingen bevat die in overeenstemming zijn met de Grondwet en internationale normen. In het kader van dit beroep rijst voor het Grondwettelijk Hof de vraag of de nationale wet, die uitvoering geeft aan de ETIAS-verordening, voldoende nauwkeurig is omschreven en verenigbaar is met het Unierecht.

Prejudiciële vraag: 
Schendt artikel 3, lid 1, punt 6, van de verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 « tot oprichting van een Europeesreisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 », doordat het een veiligheidsrisico definieert als « het risico van een dreiging voor de openbare orde, de interne veiligheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten », artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met artikel 5, lid 1, b), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) », in zoverre het doel waarin het voorziet voor de verwerking van de persoonsgegevens van de betrokken personen, niet voldoende nauwkeurig zou zijn omschreven?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-92/09 en C-93/09; C-617/10; C-311/18 Data Protection Commissioner; C-623/17 Privacy International. 

Specifiek beleidsterrein: JenV; AenM; DEF; BZK