C-853/25 Najvyssi sud

Contentverzamelaar

C-853/25 Najvyssi sud

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     25 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     11 april 2026

Trefwoorden: strafprocedure, retroactieve toepassing lichtere straf, gezag van gewijsde

Onderwerp: Handvest van de grondrechten van de EU: artikel 49, lid 1; Richtlijn (EU) 2018/1673 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld: artikel 3, lid 1.

Verzoeker is in mei 2023 schuldig bevonden aan gekwalificeerde diefstal en het witwassen van geld, en veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twaalf jaar. In augustus 2024 is er een wijziging gekomen in de strafwetgeving, waardoor de strafrechtelijke sancties voor economische criminaliteit verlaagd zijn. In cassatie is de rechter niet ingegaan op de mogelijke toepassing van een nieuwe (lagere straf). Verzoeker heeft een grondwettelijke klacht ingediend. Het grondwettelijk hof vraagt in deze zaak aan het Hof of het beginsel van retroactieve toepassing van de lichtere straf, zoals neergelegd in artikel 49, lid 1 Handvest, moet worden toegepast op een cassatieprocedure die wordt ingeleid nadat de zaak definitief is afgesloten.

Prejudiciële vraag: 
Moeten artikel 49, lid 1, laatste volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het daarin neergelegde beginsel van retroactieve toepassing van de lichtere straf aldus worden uitgelegd dat, ook al is een cassatieberoep in strafzaken naar nationaal recht een buitengewoon rechtsmiddel tegen een definitieve rechterlijke beslissing dat binnen een termijn van drie jaar moet worden ingesteld, de rechter bij wie het cassatieberoep is ingesteld, verplicht is om op de veroordeelde persoon de gunstigere nationale wetgeving toe te passen die in werking is getreden na het wijzen van de rechterlijke beslissing waartegen het cassatieberoep is ingesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-544/23 BAJI Trans; C-398/12 M; C-387/02, C-391/02 en C-403/02 Berlusconi e.a.; C-439/19 Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten); C-234/17 XC e.a.

Specifiek beleidsterrein: JenV