C-859/25 Redego

Contentverzamelaar

C-859/25 Redego

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 maart 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     18 april 2026

Trefwoorden: recht op verzet, betalingsbevelprocedure, onherroepelijk betalingsbevel, sociale bijstand

Onderwerp: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: artikel 47; Richtlijn 2003/109 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen: artikel 11, lid 1, onder d)

HC is een Tunesische staatsburger en verblijft sinds 2004 in Italië. HC heeft in juli 2019 een aanvraag ingediend voor de toekenning van het basisinkomen. In maart 2021 ontving HC een besluit tot intrekking van het basisinkomen, omdat zij niet voldeed aan de nationaal wettelijke verblijfsvoorwaarde van 10 jaar, waarvan de laatste 2 jaar ononderbroken. Als gevolg hiervan werd een terugbetaling van het ontvangen basisinkomen gevorderd, gevolgd door de uitvaardiging van een betalingsbevel. Toen HC kennis kreeg van het betalingsbevel, was dit al onherroepelijk, en heeft zij geen verzet getekend. Nadien oordeelde het Hof dat de nationale verblijfsvoorwaarde van 10 jaar in strijd is met artikel 11 van de richtlijn 2003/109. De rechter die het betalingsbevel heeft uitgevaardigd, heeft de strijdigheid van de nationale regeling met de richtlijn niet kunnen beoordelen, omdat het arrest van het Hof pas na het betalingsbevel werd gepubliceerd. De verwijzende rechter vraagt zich af of het Unierecht zich verzet tegen een nationale procesregel die verhindert dat een onherroepelijk betalingsbevel wordt herzien, ook wanneer het berust op een met het Unierecht strijdige regeling.

Prejudiciële vraag: 
Moet artikel 11, lid 1, onder d), van richtlijn 2003/109/EG, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de nationale rechter bij wie een vordering van een verklaring voor recht aanhangig is gemaakt, niet kan vaststellen dat er geen recht bestaat op terugbetaling van de bedragen die de Istituto Nazionale di Previdenza Sociale (nationaal instituut voor sociale zekerheid) heeft betaald aan een derdelander die houder is van een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en ook niet dat de titel op grond waarvan de terugbetaling wordt gevorderd onrechtmatig is, omdat intussen een door de INPS verkregen betalingsbevel in kracht van gewijsde is gegaan, indien zowel het verzoek tot terugbetaling als de titel ervan zijn gebaseerd op regels waarvan al is geoordeeld dat zij in strijd zijn met artikel 11, lid 1, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, en indien noch deze strijdigheid, noch de onrechtmatigheid van de titel door de rechter in de betalingsbevelprocedure is onderzocht omdat de schuldenaar geen verzet heeft aangetekend?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-112/22 en C-223/22 CU en ND (Sociale bijstand - Indirecte discriminatie); C-693/19 en C-831/19 SPV Project 1503 e.a.

Specifiek beleidsterrein: JenV; SZW

Gerelateerde documenten