C-871/25 Greif Hungary
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 18 maart 2026 Schriftelijke opmerkingen: 4 mei 2026
Trefwoorden: sanctielijst, insolventieprocedure, vertragingsrente, goede trouw, eigendom, bewijslast
Onderwerp: Verordening 269/2014 betreffende beperkende maatregelen: artikelen 2, 10 en 11; Handvest: artikel 17.
Verzoeker, een Hongaars staalbedrijf, heeft goederen geleverd aan verwerende partij ‘Greig Hungary’. Zij heeft de facturen voor de leveringen niet betaald, omdat de indirecte moedervennootschap van verzoeker (VEB Bank) op de EU-sanctielijst staat, waardoor betaling aan verzoeker in strijd zou zijn met verordening 269/2014. De Hongaarse rechter betwist of verzoeker met succes heeft aangetoond dat VEB Bank niet haar indirecte eigenaar is, en stelt vragen over de bewijslast. Daarnaast is er tegen verzoeker inmiddels een insolventieprocedure ingeleid, waardoor het volgens Greg Hungary niet is uitgesloten dat VEB Bank alsnog zou profiteren van het beschikbaar gestelde geldbedrag aan verzoeker. De rechter stelt ook vragen over de verplichting van het betalen van vertragingsrente terwijl Greg ter goede trouw niet betaalt.
Prejudiciële vragen: 1.) Moeten artikel 2, leden 1 en 2, en artikel 11, lid 2, van verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, gelet op artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en rekening houdend met het advies van de Commissie van 19 juni 2020 betreffende artikel 2 van verordening nr. 269/2014 en met het advies van de Commissie van 8 juni 2021 betreffende artikel 2, lid 2, van diezelfde verordening, aldus worden uitgelegd dat een entiteit die wordt geassocieerd met een entiteit die in bijlage I bij die verordening is opgenomen en waarop sancties van toepassing zijn, voldoet aan de krachtens artikel 11, lid 2, op haar rustende bewijsverplichting wanneer zij aantoont dat zij het voorwerp is van een insolventieprocedure naar nationaal recht waarin een curator is aangesteld die verplicht is op te treden teneinde de schuldvorderingen te voldoen, en dat het totaalbedrag van de schuldvorderingen die tegen de schuldplichtige entiteit zijn ingediend hoger is dan de activa van laatstgenoemde die in het kader van de insolventieprocedure in aanmerking kunnen worden genomen, terwijl er in die procedure geen schuldvordering is ingesteld door personen of entiteiten die in bijlage 1 bij die verordening zijn opgenomen?
2.) Moet artikel 10, lid 1, van verordening nr. 269/2014, gelet op artikel 17 van het Handvest en punt 37 van het document van de Raad betreffende de beste praktijken van de EU voor de doeltreffende implementatie van beperkende maatregelen (hierna: „beste praktijken van de Unie”), aldus worden uitgelegd dat een entiteit die te goeder trouw weigert om tegoeden beschikbaar te stellen, in de overtuiging dat die handelwijze in overeenstemming is met de aangehaalde verordening, niet kan worden verplicht tot betaling van vertragingsrente over de geldelijke prestatie zolang de goede trouw voortduurt, ook al is de vertragingsrente naar nationaal recht het objectieve rechtsgevolg van de niet-nakoming van de overeenkomst (vertraging bij de betaling)?
3.) Moeten artikel 10, lid 1, en artikel 11, leden 2 en 3, van verordening nr. 269/2014, gelet op het voorgaande aldus worden uitgelegd dat wanneer in een overeenkomstig artikel 11, lid 3, ingeleide gerechtelijke procedure als gevolg van de in lid 2 van dat artikel bedoelde bewijsvoering de vraag kan worden beantwoord of de tot betaling gehouden persoon ten onrechte heeft geweigerd de tegoeden beschikbaar te stellen, de goede trouw blijft bestaan tot aan de beslissing van de rechter of tot een ander tijdstip, met dien verstande dat tot dit tijdstip zijn aansprakelijkheid niet kan worden vastgesteld en hij derhalve evenmin verplicht kan worden om vertragingsrente te betalen?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-168/17 SH.
Specifiek beleidsterrein: BZ; EZ