Dialoog nationale rechter en EU-Hof moet beter

Contentverzamelaar

Dialoog nationale rechter en EU-Hof moet beter
Een nationale rechter moet de vragen die hij stelt aan het EU-Hof over de uitleg van het EU-recht beter toelichten. Omgekeerd moet het EU-Hof de nationale rechter meer betrekken in de procedure voor de beantwoording van deze vragen. Dat bepleit Jurian Langer in zijn oratie waarvan de tekst nu beschikbaar is.

Op dinsdag 31 maart hield prof. Jurian Langer aan de Rijksuniversiteit Groningen zijn oratie met titel De prejudiciële procedure: oude problemen of nieuwe uitdagingen? De door hem uitgesproken rede is nu ook beschikbaar via de ECER-website.

In zijn rede behandelt hij artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, een cruciale schakel in de doorwerking van Europees recht in de nationale rechtsorde. Artikel 267 is misschien het meest succesvolle artikel van de Europese verdragen. Zo zijn veel belangrijke Europeesrechtelijke concepten ontwikkeld naar aanleiding van prejudiciële verzoeken. In zijn rede geeft hij zijn persoonlijke visie en gaat hij in op de factoren die bepalend zijn voor het succes van de prejudiciële procedure en hoe ervoor gezorgd kan worden dat het een succesnummer blijft.

De procedure van artikel 267 geeft elke nationale rechter de bevoegdheid – en sommige rechters zelfs de plicht – om aan het Luxemburgse Hof van Justitie vragen stellen over de uitleg van Europees recht en geldigheid van handelingen van de EU. Het Hof geeft vervolgens antwoord, en de nationale rechter zal met behulp ervan het nationale geschil beslechten.

Langer staat onder meer stil bij het belang van goed geformuleerde verwijzingen die het Hof precies uitleggen wat het Europeesrechtelijke probleem is waarmee de verwijzende rechter zit. Gedegen uitleg van de nationale context en regels is daarbij essentieel, want Unierecht bestaat niet in een vacuüm. Ook dienen nationale rechters zich meer te realiseren dat alleen goede vragen leiden tot goede antwoorden.

Ook het Hof dient zijn verantwoordelijkheid in deze te nemen. Het Hof omschrijft immers de procedure als een vorm van rechterlijke samenwerking en dialoog. Langer constateert dat deze samenwerking op punten niet tot volle wasdom komt. Zo is het opvallend dat de verwijzende rechter geen rol heeft zodra de zaak in Luxemburg speelt. De verwijzende rechter is in de procedure bij het Hof de grote afwezige. Langer roept het Hof daarom op de verwijzende rechter meer te betrekken. Alleen zo is er sprake van een werkelijke dialoog, aldus Langer. Hij verwijst in dit verband naar de potentie van artikel 101 van het Procesreglement.

Jurian Langer is tevens hoofd procescluster van de afdeling Europees Recht van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Zie ook het eerdere ECER-bericht: Jurian Langer (ECER) bijzonder hoogleraar Europees recht en de Nederlandse rechtsorde