Contentverzamelaar

ECB niet aansprakelijk voor geleden verliezen door Griekse herstructurering
De schadevergoedingsactie van beleggers die zouden zijn benadeeld mede als gevolg van het advies van de ECB over de voorgenomen Griekse herstructureringswet toetst het Gerecht aan de standaardvoorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie. Een beroep wegens schending van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie is al ontvankelijk wanneer gedupeerden stellen schade te hebben geleden als gevolg van een handeling van de ECB. De ontvankelijkheid houdt namelijk direct verband met het onderzoek ten gronde van de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie. De getroffen beleggers hebben niet kunnen bewijzen dat aan de voorwaarde van een voldoende gekwalificeerde schending is voldaan. De adviesbevoegdheid van de ECB heeft bovendien niet tot doel om de rechten en verplichtingen van contractpartijen te beoordelen, maar houdt verband met de fundamentele taken van de ECB. Het Gerecht verwerpt het beroep.

Het gaat om de uitspraak van het Gerecht van de EU van 23 mei 2019 in de zaak T-107/17, S e.a. tegen de ECB .

De beleggers waren in 2012 als houders van Griekse staatsobligaties betrokken bij de herstructurering van de Griekse staatsschuld. Deze herstructurering vond plaats op grond van een Griekse wet, die destijds voor advies is voorgelegd aan de Europese Centrale Bank (ECB). S e.a. stellen voor het EU Gerecht dat de ECB het Unierecht heeft geschonden door er in haar advies niet op te wijzen dat de voorgenomen herstructurering van de Griekse staatsschuld via een verplichte ruil van schuldbewijzen onrechtmatig was. Zij proberen – zonder succes – schadevergoeding te krijgen voor geleden verliezen vanwege vermeende niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie.

Een beroep op de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan alleen slagen als wordt voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden:

  • er moet sprake zijn van een voldoende gekwalificeerde schending van rechtsregels waarbij rechten worden toegekend aan particulieren;

  • het bestaan van schade moet zijn aangetoond;

  • er moet een rechtstreeks verband zijn tussen de door de benadeelde personen geleden schade en de schending van de verplichting die rust op degene die de handeling heeft vastgesteld.

Ontvankelijkheid

Volgens de ECB is het beroep niet ontvankelijk omdat het Gerecht niet bevoegd zou zijn. Het Gerecht stelt in dat kader voorop dat een beroep wegens schending van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie al ontvankelijk is wanneer gedupeerden stellen schade te hebben geleden als gevolg van een handeling van de ECB. Die kwestie houdt immers verband met het onderzoek ten gronde van de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie. Dit betreft zowel de vaststelling van het feit dat tot die aansprakelijkheid heeft geleid als het oorzakelijke verband tussen dat feit en de gestelde schade. Voorts brengt het Gerecht de vaste rechtspraak van het EU-Hof in herinnering over de relevante aspecten van een beroep tot schadevergoeding op grond van artikel 268 VWEU jo. 340 VWEU. Die bepaalt dat er pas sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending als een instelling de grenzen van haar beoordelingsruimte kennelijk en ernstig heeft overschreden. Daarnaast is niet-contractuele aansprakelijkheid niet alleen mogelijk in geval van een handeling, maar ook bij een nalaten. De ontvankelijkheid van een beroep tot schadevergoeding hangt bovendien niet af van de vraag of de betreffende handeling, in casu een advies van de ECB, juridisch bindend is.

Ten gronde

De beleggers weten volgens het Gerecht echter geen bewijs te leveren dat er voldaan is aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een voldoende gekwalificeerde schending van rechtsregels waarbij rechten worden toegekend aan particulieren.

In een eerste categorie gevallen is dat volgens het Gerecht omdat noch artikel 127 VWEU noch artikel 124 VWEU rechtsregels betreffen die rechten toekennen aan particulieren. De adviesbevoegdheid van de ECB uit artikel 127, lid 4, VWEU brengt niet met zich mee dat verzoekers er aanspraak op kunnen maken dat de ECB zich uitspreekt over de vraag of Griekenland zich heeft gehouden aan het beginsel pacta sunt servanda. De adviesbevoegdheid van de ECB heeft namelijk niet tot doel om de rechten en verplichtingen van contractpartijen te beoordelen, maar houdt verband met de fundamentele taken van de ECB. Daarnaast stellen Steinhoff e.a. dat de ECB artikel 124 VWEU – het verbod op een bevoorrechte toegang van publiekrechtelijke lichamen van de lidstaten tot financiële instellingen – heeft geschonden door er in haar advies niet op te wijzen dat de (ontwerp) Griekse wet een schending van dit verbod opleverde. Volgens het Gerecht is er bij artikel 124 VWEU echter geen sprake van toekenning van rechten aan particulieren.

In een tweede categorie gevallen is er volgens het Gerecht noch sprake van schending van het eigendomsrecht uit artikel 17 EU-Handvest van de grondrechten noch van en het vrij verkeer van kapitaal uit artikel 63 VWEU. Het eigendomsrecht is een Unierechtelijk grondrecht waarvan de eerbiediging een voorwaarde is voor de rechtmatigheid van Uniehandelingen, evenals een rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren. Bovendien, zo oordeelt het Gerecht, impliceren het fundamentele karakter van de regel en de verplichting van de ECB om de naleving ervan te bevorderen dat die particulieren mogen verwachten dat de ECB bij de uitoefening van haar bevoegdheden erop wijst dat die regel wordt geschonden. Ook brengt het Gerecht in herinnering dat het EU Hof in de Ledra Advertising uitspraak – waarover het ECER dit bericht publiceerde – heeft geoordeeld dat een EU instelling artikel 17 (1) van het EU-Handvest ook kan schenden door na te laten een maatregel vast te stellen waartoe zij op grond van een specifieke verplichting gehouden was. Echter, dit eigendomsrecht heeft geen absolute gelding en kan worden onderworpen aan beperkingen. De Griekse wet beantwoordt aan doelstellingen van algemeen belang, waaronder het waarborgen van de stabiliteit van het bankwezen van de eurozone in haar geheel. Bovendien vormt de vermindering van de waarde van de Griekse schuldbewijzen uit het oogpunt van het nagestreefde doel geen onevenredige en onduldbare ingreep waardoor het eigendomsrecht in zijn kern zou worden aangetast. Er is daarom geen sprake van een schending van artikel 17 (1) EU-Handvest. De ECB kan dan ook niet verweten worden dat zij een dergelijke schending niet aan de orde heeft gesteld in haar advies over de Griekse wet.

Met betrekking tot artikel 63 VWEU oordeelt het Gerecht dat, ongeacht of de uitvoering van de Griekse wet heeft geleid tot een beperking van het kapitaalverkeer, deze beperking gerechtvaardigd zou zijn om dwingende redenen van algemeen belang. De Griekse wet was immers gerechtvaardigd om de doelstelling van de stabiliteit van het bankwezen van de eurozone in haar geheel te waarborgen, en niet is aangetoond dat deze maatregelen onevenredig waren.