EU-Gerecht: Europese Commissie heeft publiek onvoldoende toegang gegeven tot de overeenkomsten voor de aankoop van COVID-19-vaccins

Contentverzamelaar

EU-Gerecht: Europese Commissie heeft publiek onvoldoende toegang gegeven tot de overeenkomsten voor de aankoop van COVID-19-vaccins

De inbreuk betreft met name de bepalingen van betreffende overeenkomsten over de schadeloosstelling en de verklaringen van de leden die over de aankoop van de vaccins hebben onderhandeld dat er voor hen geen belangenconflict bestond. Dat is de uitspraak van het EU-Gerecht naar aanleiding van door een aantal leden van het Europees Parlement en een aantal particulieren ingestelde vorderingen tot nietigverklaring inzake een Commissiebesluit over gedeeltelijke toegang tot documenten betreffende de inkoop van coronavaccins.

Het gaat om de arresten van het EU-Gerecht van 17 juli 2024 in de zaken T-689/21 (Auken e.a./Commissie) en T-761/21 (Courtois e.a./Commissie).

Achtergrond
In 2020 en 2021 heeft de Europese Commissie overeenkomsten voor de aankoop van COVID-19-vaccins gesloten met een aantal farmaceutische ondernemingen. Op korte termijn is ongeveer 2,7 miljard euro vrijgemaakt om een grote bestelling te plaatsen voor meer dan een miljard vaccindoses.

In 2021 hebben leden van het Europees Parlement en een aantal particulieren op basis van de verordening inzake de toegang tot documenten (Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten (Eurowob)) verzocht om toegang tot deze overeenkomsten en bepaalde daarmee verband houdende documenten om de voorwaarden ervan te begrijpen en zich ervan te vergewissen dat het openbaar belang werd beschermd.

Aangezien de Commissie slechts gedeeltelijk toegang heeft verleend tot deze documenten – door doorhalingen bevattende versies ervan online te plaatsen – hebben de betrokken leden van het Europees Parlement en een aantal particulieren vorderingen tot nietigverklaring ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie.

EU-Gerecht
In de arresten wijst het EU-Gerecht de twee beroepen gedeeltelijk toe en verklaart het EU-Gerecht de besluiten van de Commissie nietig voor zover zij onregelmatigheden bevatten.

Met betrekking tot de bepalingen uit de overeenkomsten over de schadeloosstelling van de farmaceutische ondernemingen door de lidstaten voor de eventuele schadevergoeding die de ondernemingen zouden moeten betalen in geval van een gebrek in hun vaccins, beklemtoont het EU-Gerecht dat volgens richtlijn 85/374 (Richtlijn 85/374/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken) de producent aansprakelijk is voor de schade die veroorzaakt wordt door een gebrek in zijn product, en dat die aansprakelijkheid niet ten aanzien van de gelaedeerde kan worden uitgesloten of beperkt bij overeenkomst. Het EU-Gerecht merkt niettemin op dat niets in richtlijn 85/374 een derde verbiedt om de schadevergoeding terug te betalen die een producent heeft betaald wegens een gebrek in zijn product. Het EU-Gerecht herinnert eraan dat de reden waarom de bepalingen over schadeloosstelling in de overeenkomsten zijn opgenomen (zie ook Mededeling van de Commissie „Strategie van de Europese Unie voor COVID-19-vaccins” (COM(2020) 245 final) – namelijk het compenseren van de risico’s die de farmaceutische ondernemingen liepen door de kortere ontwikkelingstijd van de vaccins – was erkend door de lidstaten (zie artikel 6, derde alinea, van de overeenkomst van 16 juni 2020 inzake de aankoop van COVID-19-vaccins tussen de Commissie en de lidstaten, die op 7 september 2020 werd gepubliceerd op de website van de Commissie) en tot het publieke domein behoorde. Het EU-Gerecht constateert dat de Commissie niet heeft aangetoond dat een ruimere toegang tot die bepalingen de commerciële belangen van die ondernemingen daadwerkelijk zou schaden. De Commissie heeft evenmin voldoende uitgelegd in welke zin openbaarmaking van de gehanteerde definities van de begrippen „opzettelijke fout” en „alle redelijkerwijs mogelijke inspanningen” in bepaalde overeenkomsten en tot de bepalingen in die overeenkomsten over schenkingen en doorverkoop, die commerciële belangen concreet en daadwerkelijk kon schaden.

Wat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van personen betreft, waarop de Commissie zich heeft beroepen om gedeeltelijk toegang te weigeren tot de verklaringen van de leden van het team dat belast was met de onderhandelingen voor de aankoop van vaccins dat er voor hen geen sprake was van een belangenconflict, is het EU-Gerecht van oordeel dat de betrokken particulieren naar behoren hebben aangetoond dat openbaarmaking van de persoonsgegevens van die leden een specifiek doel van openbaar belang diende. Zij hadden immers enkel aan de hand van de namen, voornamen en professionele of institutionele rol kunnen nagaan of er voor die leden een belangenconflict was. Bovendien heeft de Europese Commissie onvoldoende rekening gehouden met alle relevante omstandigheden om de in het geding zijnde belangen, betreffende enerzijds de vraag of er geen belangenconflict was en anderzijds het gevaar dat inbreuk werd gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen, naar behoren tegen elkaar te kunnen afwegen.

Meer informatie:
Persbericht Curia
ECER-EU-essentieel: Openbaarheid
ECER-pagina: Covid 19 – EU-ontwikkelingen