EU-Hof: een belastingautoriteit die bij een marktaanbieder van internetdiensten gegevens opvraagt moet de AVG in acht nemen

Contentverzamelaar

EU-Hof: een belastingautoriteit die bij een marktaanbieder van internetdiensten gegevens opvraagt moet de AVG in acht nemen
Het door de belastingautoriteit van een lidstaat verzamelen van persoonsgegevens betreffende de op de website van een marktdeelnemer geplaatste advertenties voor de verkoop van voertuigen valt binnen het materiële toepassingsgebied van de Algemene Verordening Gegevens-bescherming (AVG). Die autoriteit zal dus ook de in de AVG neergelegde beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens in acht moeten nemen. Een belastingautoriteit kan in bepaalde gevallen wel afwijken van de AVG, ook al is het recht tot afwijking niet toegekend door het nationale recht of een wetgevingsmaatregel in de zin van de AVG. Dat is het antwoord van het EU-Hof op prejudiciële vragen van de Letse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 24 februari 2022 in de zaak C-175/ 20 (SS-SIA tegen de Letse belastingautoriteit).

Achtergrond

SS-SIA (hierna SS) is een in Letland gevestigde aanbieder van internetadvertentiediensten. In augustus 2018 heeft de Letse belastingautoriteit op grond van de algemene belastingwet een informatieverzoek aan SS gericht, waarbij zij SS verzocht om haar opnieuw toegang te verlenen tot de chassisnummers van de voertuigen die in de advertenties op het internetportaal van die vennootschap werden aangeboden. Ook werd verzocht om toegang tot de telefoonnummers van de verkopers, en om informatie te verstrekken over de advertenties die in het tijdvak van zomer 2018 in de rubriek „Personenauto’s” op die portaalsite waren geplaatst.

In dit verzoek werd gepreciseerd dat deze informatie de link naar de advertentie, de tekst ervan, het merk, het model, het chassisnummer, de prijs van het voertuig en het telefoonnummer van de verkoper moest bevatten, en elektronisch moest worden verstrekt in een format waarin de gegevens konden worden gefilterd of geselecteerd.

Voor het geval dat de toegang tot de informatie in de op het betrokken internetportaal geplaatste advertenties niet opnieuw kon worden verleend, werd SS bovendien verzocht om de reden daarvoor aan te geven en uiterlijk op de derde dag van elke maand de relevante informatie over de in de voorgaande maand geplaatste advertenties te verstrekken.

SS heeft tegen het verzoek om informatie van de Letse belastingautoriteit bezwaar ingediend bij de waarnemend directeur-generaal van de Letse belastingautoriteit. SS was van mening was dat dat verzoek niet in overeenstemming was met de in verordening 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming; hierna AVG) neergelegde beginselen van evenredigheid en van minimale verwerking van persoonsgegevens.

In oktober 2018 heeft de waarnemend directeur-generaal van de Letse belastingautoriteit dit bezwaar afgewezen, met name op grond dat de Letse belastingautoriteit in het kader van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verwerking van persoonsgegevens de haar bij de wet verleende bevoegdheden uitoefende.

SS heeft bij de Letse bestuursrechter in eerste aanleg beroep tot nietigverklaring van dat besluit ingesteld. Naast de argumenten die zij in haar bezwaar had uiteengezet, voerde zij aan dat dat besluit in strijd met artikel 5, lid 1, van de AVG niet vermeldde wat het specifieke doel van de door de Letse belastingautoriteit beoogde verwerking van persoonsgegevens was, noch hoeveel gegevens daartoe nodig waren.

In mei 2019 verwerpt de bestuursrechter in eerste aanleg dat beroep, onder meer met het oordeel dat de AVG niet van toepassing was op deze autoriteit.

SS heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Letse bestuursrechter in tweede aanleg, de verwijzende rechter. SS voert aan dat de Letse belastingautoriteit onderworpen was aan de AVG en dat deze autoriteit het evenredigheidsbeginsel had geschonden door maandelijks en zonder beperking in de tijd een aanzienlijke hoeveelheid persoonsgegevens betreffende een onbeperkt aantal advertenties te eisen, zonder aan te geven tegen welke belastingplichtigen een belastingcontrole zou worden ingesteld.

De verwijzende rechter schorst de behandeling van de zaak en verzoekt het EU-Hof om een prejudiciële beslissing over een negental vragen.

EU-Hof
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter volgens het EU-Hof in wezen te vernemen of de AVG zo moet worden uitgelegd dat het verzamelen van informatie die een aanzienlijke hoeveelheid persoonsgegevens inhoudt waartoe de belastingautoriteit van een lidstaat overgaat bij een marktdeelnemer, onderworpen is aan de vereisten van de AVG, in het bijzonder die van artikel 5, lid 1 , ervan. Het EU-Hof beantwoordt deze vraag bevestigend.

Het EU-Hof merkt op dat om deze vraag te beantwoorden in de eerste plaats moet worden nagegaan of een dergelijk verzoek binnen het materiële toepassingsgebied van de AVG valt, zoals dat is omschreven in artikel 2, lid 1, ervan. Het EU-Hof concludeert in dat kader dat in deze zaak zowel sprake is van “persoonsgegevens”, van een proces van “verzameling” van gegevens als van “verwerking” in de zin van de AVG.

In de tweede plaats moet worden onderzocht of de bewerking waarmee de belastingautoriteit van een lidstaat de persoonsgegevens van bepaalde belastingplichtigen bij een marktdeelnemer tracht te verzamelen, kan worden geacht van het toepassingsgebied van de AVG te zijn uitgesloten op grond van artikel 2, lid 2 , daarvan. 

Wanneer de belastingautoriteit van een lidstaat een marktdeelnemer verzoekt om haar persoonsgegevens betreffende bepaalde belastingplichtigen te verstrekken met het oog op de inning van de belasting en de bestrijding van belastingfraude, blijkt volgens het EU-Hof niet dat deze belastingautoriteit kan worden beschouwd als een "bevoegde autoriteit" in de zin van artikel 3, punt 7, van  richtlijn 2016/680 (betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die geg evens ), en dus ook niet dat dergelijke verzoeken om informatie onder de uitzondering van artikel 2, lid 2, onder d) , van de AVG kunnen vallen. Bovendien is het weliswaar niet uitgesloten dat de in dit geding aan de orde zijnde persoonsgegevens kunnen worden gebruikt in het kader van strafvervolgingen die in geval van inbreuken op fiscaal gebied zouden kunnen worden ingesteld tegen bepaalde betrokkenen, maar het blijkt niet dat die gegevens worden verzameld met als specifiek doel dergelijke strafvervolgingen in te stellen of in het kader van de activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied (zie in die zin ook arrest Puškár, C‑73/16 ).

Het EU-Hof concludeert ten aanzien van de eerste vraag dat het door de belastingautoriteit van een lidstaat verzamelen van persoonsgegevens betreffende de op de website van een marktdeelnemer geplaatste advertenties voor de verkoop van voertuigen binnen het materiële toepassingsgebied van de AVG valt en dat deze autoriteit dus met name de in artikel 5 van de AVG neergelegde beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens in acht moet nemen.

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter volgens het EU-Hof in essentie te vernemen of de AVG zo moet worden uitgelegd dat de belastingautoriteit van een lidstaat mag afwijken van artikel 5, lid 1, van deze verordening, ook al is haar dat recht niet toegekend door het nationale recht van die lidstaat. Het EU-Hof beantwoordt ook deze vraag bevestigend en merkt daarbij op dat hierbij van belang is dat een dergelijk recht ook niet is toegekend bij een wetgevingsmaatregel in de zin van artikel 23, lid 1, van die verordening.

De derde tot en met negende vraag moeten volgens het EU-Hof samen worden onderzocht. De verwijzende rechter wenst met deze vragen in wezen te vernemen of de AVG zo moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de belastingautoriteit van een lidstaat een aanbieder van internetadvertentiediensten verplicht om haar gedurende onbepaalde tijd informatie te verstrekken over alle belastingplichtigen die advertenties in een van de rubrieken van zijn internetportaal hebben geplaatst, zonder dat de belastingautoriteit de aanbieder het doel van dit verzoek om informatie meedeelt. Het EU-Hof stelt dat de AVG zich hier niet tegen verzet
, mits de betrokken gegevens met name noodzakelijk zijn voor de specifieke doeleinden waarvoor zij worden verzameld en het tijdvak gedurende hetwelk die gegevens worden verzameld niet langer is dan strikt noodzakelijk om de doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken.

Meer informatie:
ECER-dossier: Privacy-AVG