EU-Hof: Estse verplichting om een waarborgsom te betalen bij kandidaatstelling voor de verkiezingen voor het Europees Parlement is in strijd met het Unierecht
Nieuwsbericht | 22-09-2026
Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 17 september 2026 in de zaak C-438/24 Erakond Eestimaa Rohelised.
Een Estse politieke partij was het niet eens met de verplichting die Estland stelt om een waarborgsom te betalen bij kandidaatstelling voor de verkiezingen voor het Europees Parlement. Daarover loopt een procedure voor de rechter in Estland, die het EU-Hof heeft gevraagd of het stellen van een waarborgsom, gelet op artikel 39, lid 2, van het EU-Handvest (over het passief kiesrecht en het beginsel van algemene verkiezingen), is toegestaan. Het EU-Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht zich verzet tegen de in Estland geldende waarborgsom die vijf keer het wettelijk vastgestelde minimummaandloon bedraagt en wordt terugbetaald op voorwaarde dat de onafhankelijke kandidaat of de kandidatenlijst van een partij bij die verkiezingen de drempel van vijf procent van de uitgebrachte stemmen heeft bereikt. Het opwerpen van deze drempels zou kunnen leiden tot de uitsluiting van kandidaten uit minderheidsgroepen, van nieuwe politieke bewegingen of personen met een laag inkomen die, hoewel zij waarschijnlijk geen zetel zullen behalen, kunnen staan voor belangrijke en niet-vertegenwoordigde politieke wensen en een respectabel aantal stemmen kunnen bemachtigen. Ook zou een strikt vereiste van een waarborgsom de opkomst van nieuwe partijen kunnen verhinderen en indruisen tegen het door het Unierecht gewaarborgde beginsel van politiek pluralisme.