EU-Hof: geen sprake van volgend asielverzoek wanneer een derde land definitief heeft beslist op eerder asielverzoek

Contentverzamelaar

EU-Hof: geen sprake van volgend asielverzoek wanneer een derde land definitief heeft beslist op eerder asielverzoek
Een asielverzoek kan alleen worden aangemerkt als een volgend asielverzoek in de zin van de EU-Procedurerichtlijn wanneer een EU-lidstaat definitief heeft beslist op een eerder asielverzoek. Een derde land kan niet worden gelijkgesteld met een EU-lidstaat, ook al neemt het derde land gedeeltelijk deel aan het gemeenschappelijk Europees asielstelsel. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Duitse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 20 mei 2021 in de zaak C-8/20, L.R.

Achtergrond

Richtlijn 2013/32 (hierna: EU-Procedurerichtlijn) voorziet in gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming (asiel en subsidiaire bescherming). Artikel 33, lid 2, onder d van de EU-Procedurerichtlijn bepaalt dat een EU-lidstaat een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk kan verklaren wanneer het verzoek een ‘volgend verzoek’ is en er sinds het vorige verzoek geen nieuwe elementen of bevindingen naar voren zijn gekomen.

In 2008 had L.R. – een Iraans staatsburger – asiel aangevraagd in Noorwegen (geen EU-lidstaat, derde land). Zijn verzoek werd afgewezen en hij werd overgedragen aan de Iraanse autoriteiten. In 2014 heeft L.R. een nieuw asielverzoek ingediend in Duitsland (EU-lidstaat). Aangezien de Dublin III-verordening voor de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming op basis van een internationale overeenkomst ook wordt toegepast door Noorwegen, hebben de Duitse autoriteiten contact opgenomen met de Noorse autoriteiten en aan hen gevraagd om L.R. over te nemen. De Noorse autoriteiten hebben de overname geweigerd, omdat zij van mening waren dat Noorwegen op grond van artikel 19, lid 3 van de Dublin III-verordening niet langer verantwoordelijk was voor de behandeling van het asielverzoek.

De Duitse federale dienst voor migratie en vluchtelingen heeft vervolgens op grond van de Duitse omzettingsbepaling van artikel 33, lid 2, onder d van de EU-Procedurerichtlijn de asielaanvraag van L.R. niet-ontvankelijk verklaard, omdat het om een ‘volgend asielverzoek’ ging en er geen nieuwe omstandigheden aanwezig waren die een nieuwe asielprocedure in Duitsland rechtvaardigden. L.R. heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij een Duitse bestuursrechter in eerste aanleg.

De rechter vraagt aan het EU-Hof of ook sprake is van een ‘volgend asielverzoek’ wanneer de eerste asielprocedure – die tot de afwijzing van het eerste asielverzoek heeft geleid – niet in een andere EU-lidstaat, maar in een derde land (Noorwegen) is gevoerd. Bij de beantwoording van de vraag is volgens de rechter van belang dat het derde land (Noorwegen) gedeeltelijk deel neemt aan het EU-asielbeleid, omdat zij op grond van een internationale overeenkomst de Dublin III-verordening uitvoert.

EU-Hof

Het EU-Hof stelt vast dat het begrip ‘volgend (asiel)verzoek’ in artikel 2, onder q van de EU-Procedurerichtlijn wordt gedefinieerd als een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen. Deze bepaling neemt de begrippen ‘verzoek om internationale bescherming’ en ‘definitieve beslissing’ over, die ook in artikel 2 van de EU-Procedurerichtlijn zijn gedefinieerd.

Het EU-Hof oordeelt dat uit artikel 2, onder b van de EU-Procedurerichtlijn volgt dat een ‘verzoek om internationale bescherming betrekking heeft op een verzoek om bescherming van een EU-lidstaat. Een verzoek om bescherming van een derde land (Noorwegen) kan daarom niet worden opgevat als een dergelijk verzoek om internationale bescherming. Het verzoek om bescherming van een derde land kan om die reden ook niet worden aangemerkt als een ‘vorig verzoek’ in de zin van artikel 2, onder q van de EU-Procedurerichtlijn .

Daarnaast verwijst het begrip ‘definitieve beslissing’ in de zin van artikel 2, onder e van de EU-Procedurerichtlijn naar een beslissing die genomen is overeenkomstig de EU-Kwalificatierichtlijn en waartegen geen rechtsmiddelen meer openstaan op grond van de EU-Procedurerichtlijn . De EU-Kwalificatierichtlijn en de EU-Procedurerichtlijn zijn echter niet van toepassing op derde landen (zoals Noorwegen). Een beslissing van een derde land op een (vorig) verzoek kan dus niet worden aangemerkt als een definitieve beslissing in de zin van de EU-Procedurerichtlijn.

Op grond van het voorgaande oordeelt het EU-Hof dat geen sprake is van een volgend asielverzoek wanneer het vorige asielverzoek is behandeld door een derde land. Het gegeven dat het derde land op grond van een internationale overeenkomst gedeeltelijk deelneemt aan het Europese asielbeleid kan volgens het EU-Hof niet tot een andere conclusie leiden. Zelfs wanneer het asielstelsel van het derde land een niveau van bescherming biedt dat gelijkwaardig is aan het EU-asielrecht kan dat gegeven volgens het EU-Hof niet tot een andere conclusie leiden.

Meer informatie: