EU-Hof: Nationale wetgeving die wijziging van gendergegevens in burgerlijke stand verhindert voor onderdaan die recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend is onverenigbaar met Unierecht
Nieuwsbericht | 16-03-2026
Het betreft het arrest van het EU-Hof van 12 maart 2026 in de zaak C-43/24.
Hoewel het opstellen van identiteitsdocumenten tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten behoort, moeten deze documenten volgens het EU-Hof overeenkomstig de EU-Burgerschapsrichtlijn worden verstrekt op een wijze die het recht op vrij verkeer daadwerkelijk waarborgt. Wanneer de beleefde genderidentiteit en het uiterlijk van een (transgender)persoon niet overeenkomen met de biologische geslachtsgegevens die op zijn identiteitsdocument zijn vermeld, kan dit ertoe leiden dat diegene herhaaldelijk twijfels moet wegnemen over de identiteit of de echtheid van het document. Dit vormt een belemmering van het recht op vrij verkeer uit artikel 21 van het EU-Werkingsverdrag. En is ook in strijd met artikel 7 van het Handvest, dat het recht op privéleven aan transgenders garandeert. Kortom, een lidstaat moet zorgen voor een duidelijke, voorzienbare procedure voor de juridische erkenning van de genderidentiteit, waarmee gendergegevens op snelle, transparante en toegankelijke wijze kunnen worden aangepast in officiële documenten.