EU-Hof oordeelt over de toegestane duur van de herinvoering van binnengrenscontroles

Contentverzamelaar

EU-Hof oordeelt over de toegestane duur van de herinvoering van binnengrenscontroles
De herinvoering van binnengrenscontroles in het geval van een ernstige bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid mag niet langer duren dan zes maanden. De termijn van zes maanden kan alleen opnieuw worden toegepast wanneer sprake is van een nieuwe ernstige bedreiging van de openbare orde of binnenlandse veiligheid en de lidstaat voldoet aan de voorwaarden van de Schengengrenscode. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Oostenrijkse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 26 april 2022 in de gevoegde zaken C-368/20 en C-369/20, NW.

Achtergrond

Oostenrijk heeft in 2015 opnieuw controles ingevoerd aan haar grenzen met Hongarije en Sloveni ë . Deze controles zijn tot op heden herhaaldelijk opnieuw ingevoerd. Oostenrijk heeft zich, ter rechtvaardiging van de herinvoering van die controles, beroepen op de artikelen 25 tot en met 29 van de Schengengrenscode.

Tot en met 10 november 2017 werd de herinvoering gerechtvaardigd op grond van aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 29, lid 2 van de Schengengrenscode. De Raad kan die aanbevelingen uitvaardigen indien de algemene werking van de Schengenruimte – de Europese ruimte zonder binnengrenzen – in gevaar dreigt te komen. Na 10 november 2017 was de herinvoering van de controles gebaseerd op de artikelen 25 en 27 van de Schengengrenscode. Artikel 25 stelt het kader vast voor het herinvoeren van het binnengrenstoezicht vanwege een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van een lidstaat en artikel 27 regelt de procedurele voorwaarden.

In deze zaak gaat het om twee controles op 29 augustus en 16 november 2019, waarbij NW werd verzocht om een paspoort of een identiteitskaart te overleggen. Op 16 november 2019 had NW geen geldig reisdocument bij zich en hebben de Oostenrijkse autoriteiten een geldboete opgelegd. NW heeft bij de Oostenrijkse rechter aangevoerd dat de controles in strijd waren met het EU-recht. Die grenscontroles waren gebaseerd op de artikelen 25 en 27 van de Schengengrenscode. Op de data waarop de grenscontroles werden verricht, duurde de grenscontroles echter langer dan de in artikel 25, lid 4 van de Schengengrenscode gestelde totale maximumtermijn van zes maanden.

De Oostenrijkse rechter wil van het EU-Hof weten of artikel 25, lid 4 van de Schengengrenscode zich verzet tegen de herinvoering van grenscontroles, wanneer de in die bepaling vastgestelde maximumtermijn van zes maanden is overschreden. Daarnaast wil de rechter weten of een nationale sanctieregeling onverenigbaar is met de Schengengrenscode wanneer zij wordt opgelegd in het kader van een controle die zelf niet in overeenstemming is met de Schengengrenscode.

EU-Hof

Het EU-Hof brengt in de eerste plaats in herinnering dat in de Schengengrenscode het beginsel is opgenomen dat de binnengrenzen op iedere plaats kunnen worden overschreden zonder dat personen, ongeacht hun nationaliteit, worden gecontroleerd (artikel 22). De herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen is alleen toegestaan in uitzonderlijke omstandigheden.

Het is een lidstaat toegestaan om in het geval van een ernstige bedreiging van zijn openbare orde of binnenlandse veiligheid tijdelijk  opnieuw toezicht aan zijn grenzen met andere lidstaten in te voeren (artikel 25 van de Schengengrenscode). Volgens het EU-Hof mag een dergelijke maatregel, met inbegrip van eventuele verlengingen, echter niet langer duren dan in totaal zes maanden. De termijn van zes maanden in artikel 25, lid 4 van de Schengengrenscode geldt dus dwingend.

Het EU-Hof oordeelt echter dat een lidstaat een dergelijke maatregel wel onmiddellijk na afloop van de periode van zes maanden opnieuw kan toepassen in bepaalde omstandigheden. Dat is het geval wanneer er zich een nieuwe ernstige bedreiging van de openbare orde of binnenlandse veiligheid voordoet die verschilt van de oorspronkelijk vastgestelde bedreiging. Die “nieuwe” bedreiging moet worden beoordeeld in het licht van de concrete omstandigheden en gebeurtenissen.

Ook kan de Raad in uitzonderlijke omstandigheden, waarbij de algemene werking van het Schengengebied in gevaar komt, éé n of meer lidstaten aanbevelen om voor een maximumduur van ten hoogste twee jaar opnieuw toezicht aan hun binnengrenzen in te voeren (artikel 29, lid 2 van de Schengengrenscode). Na afloop van die twee jaar kan de betrokken lidstaat, indien hij geconfronteerd wordt met een nieuwe ernstige bedreiging van zijn openbare orde of binnenlandse veiligheid, onmiddellijk opnieuw grenstoezicht invoeren voor een totale maximumduur van zes maanden  

Het EU-Hof oordeelt tenslotte dat een persoon niet op straffe van een sanctie kan worden verplicht om bij binnenkomst vanuit een andere lidstaat een paspoort of identiteitskaart te tonen wanneer de herinvoering van binnengrenstoezicht in strijd is met de Schengengrenscode.

Meer informatie: